ECLI:NL:RBLIM:2026:7704

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
C/03/320612 / FA RK 23-2870
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Geerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:397 BWArt. 1:404 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie na echtscheiding met co-ouderschap

In deze civiele zaak heeft de rechtbank Limburg op 20 juli 2026 uitspraak gedaan over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie na echtscheiding van twee minderjarige kinderen. De ouders waren het niet eens over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling, waarbij de raad voor de kinderbescherming een advies had uitgebracht. De rechtbank heeft het hoofdverblijf van de oudste bij de moeder en van de jongste bij de vader vastgesteld, ondanks het advies van de raad dat het hoofdverblijf bij de vader zou moeten zijn.

De zorgregeling wordt uitgebreid waarbij de kinderen van zaterdagavond tot woensdag bij de vader verblijven en van woensdag na school tot zaterdagavond bij de moeder. Vakanties en feestdagen worden gelijk verdeeld volgens afspraken tussen de ouders. De rechtbank benadrukt het belang van duidelijke communicatie en samenwerking tussen de ouders voor het welzijn van de kinderen.

Met betrekking tot de kinderalimentatie heeft de man zijn verzoek ingetrokken, maar de vrouw verzoekt een bijdrage van de man. De rechtbank berekent de draagkracht van beide ouders en stelt vast dat de man een maandelijkse bijdrage van €368 voor de oudste en €112 voor de jongste aan de vrouw moet betalen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Hoofdverblijf van oudste kind bij moeder, jongste bij vader, zorgregeling uitgebreid en vader betaalt kinderalimentatie aan moeder.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/320612 / FA RK 23-2870
Datum uitspraak: 20 juli 2026
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake:
in de zaak van
[de man] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: voorheen mr. M.D. Verwoerd en mr. F.H.M. Belt, thans mr. A.M. Holmes, kantoorhoudend in Heerlen,
en
[de vrouw] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, in rechte vertegenwoordigd door:
[de bewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder, h.o.d.n. [bewindvoering] ,
[adres] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
voorheen mr. J. Sondeijker en mr. J.E.A.H. Verstraelen, thans zonder advocaat.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bij deze zaak betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht,
hierna te noemen de raad.
Gezien de stukken, waaronder de beschikkingen van deze rechtbank van 12 september 2023 en 28 mei 2024.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit:
- het verslag van het Contextueel Expertise Centrum Limburg (CECL) van 19 december 2024, ingekomen op 19 december 2024;
- het F9 formulier van de man, ingekomen op 20 januari 2025;
- het F9 formulier van de vrouw, ingekomen op 22 januari 2025;
- het F9 formulier van de man, ingekomen op 19 maart 2025;
- de brief met het eindverslag van het CECL van de raad, ingekomen op 13 mei 2025;
- het rapport van de raad van 29 september 2025, ingekomen op 7 oktober 2025;
- het F9 formulier met bijlage van de man, ingekomen op 20 oktober 2025;
- het F9 formulier van de vrouw, ingekomen op 29 oktober 2025;
- het F9 formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 8 april 2026;
- het e-mailbericht met bijlage van de vrouw, ingekomen op 21 april 2026.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de man en zijn advocaat;
  • de vrouw.
1.3.
Na de sluiting van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank op 28 mei 2026, na verzoek daartoe aan de vrouw, een schriftelijke bevestiging van de bewindvoerder ontvangen waaruit blijkt dat deze op de hoogte is van de lopende procedure.
1.4.
De [minderjarige 1] is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft op
17 april 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 april 2026 heeft de (kinder)rechter samengevat wat zij heeft verteld. De ouders en de raad hebben daarop kunnen reageren.

2.De verdere beoordeling

Het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA) en het raadsadvies
2.1.
Bij voornoemde beschikking van deze rechtbank van 12 september 2023 heeft de rechtbank de ouders in de gelegenheid gesteld in het kader van het UHA deel te nemen aan het jeugdhulptraject Nieuw Ouderschap (hierna: NO). De rechtbank heeft iedere verdere beslissing op de verzoeken over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderbijdrage aangehouden in afwachting van het jeugdhulptraject NO. Aan de raad is, voor het geval de eindrapportage van het jeugdhulptraject NO voor de raad aanleiding geeft voor nader onderzoek of wanneer het traject voortijdig wordt afgebroken, voorwaardelijk de opdracht gegeven onderzoek te doen naar en, indien mogelijk definitief, te adviseren over de volgende vragen:
-
welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van de kinderen?
  • welke mogelijkheden zijn er voor toedeling van zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen aan de ouder waar de kinderen niet hun hoofdverblijf hebben?
  • hoe dient de verdeling van zorg- en opvoedingstaken qua vorm en frequentie in het belang van de kinderen vormgegeven te worden?
2.2.
Het UHA-traject is beëindigd na een blijvend meningsverschil tussen partijen over de behandelaar van het verlengde UHA-traject. De man wil niet langer samenwerken met het CECL en stelt voor om met Humanitas te werken. De vrouw geeft er de voorkeur aan om verder te werken met CECL en wenst niet met Humanitas te werken. De raad heeft daarop aangekondigd een raadsonderzoek te starten.
2.3.
De raad heeft de rechtbank, na onderzoek, geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader te bepalen. De raad heeft de rechtbank voorts geadviseerd om een definitieve zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen van zaterdag 18.30 uur tot woensdag 18.30 uur bij de man verblijven en van woensdag 18.30 uur tot zaterdag 18.30 uur bij de vrouw verblijven. De raad adviseert verder de vakanties bij helfte te verdelen en de reeds door de ouders overeengekomen afspraken over de verdeling van de feestdagen in de beschikking op te nemen.
2.4.
De man heeft schriftelijk ingestemd met het advies van de raad. Hij stelt dat partijen in overleg zijn over een ouderschapsplan. Verder zijn partijen in gesprek over de organisatie van onafhankelijke diagnostiek/ondersteuning voor [minderjarige 2] op korte termijn. In overleg tussen de ouders is inmiddels, na diagnose, een traject gestart bij een kindercoach gericht op de executieve functies en emotionele ondersteuning van [minderjarige 2] . Ten aanzien van de vakantieregeling verzoekt de man in de beschikking op te nemen dat de zomervakantie bij helfte tussen de ouders wordt verdeeld met de mogelijkheid de invulling in onderling overleg te bepalen. Voor de kortere schoolvakanties stelt de man voor om de bestaande zorgregeling ongewijzigd voort te zetten conform het advies van de raad.
2.5.
De vrouw persisteert bij haar eerdere reacties en wenst dat het ophalen van de kinderen van school/de BSO op woensdagen gehandhaafd blijft. De ouders zijn nog in onderling overleg over het traject voor [minderjarige 2] en het ouderschapsplan. Tijdens de mondelinge behandeling kan ook de vakantieregeling worden besproken.
De mening van [minderjarige 1]
2.6.
[minderjarige 1] heeft verteld dat ze haar moeder mist wanneer ze bij haar vader is en haar vader mist wanneer ze bij haar moeder is. Ze voelt zich bij beide ouders prettig. Ze zijn een ‘beetje anders en een beetje niet anders’ maar ze vindt beide ouders leuk. Ze vindt het heel fijn dat de ouders beiden aanwezig zijn op de rechtbank tijdens het kindgesprek en dat zij samen met de auto zijn gekomen en ook hebben gelachen. [minderjarige 1] zou het liefste een hele week bij één ouder zijn maar ze snapt dat dat niet kan. Ze zou graag willen dat ze in de ene week vier dagen bij haar moeder kan zijn en drie dagen bij haar vader en in de andere week andersom. Ze zou graag willen dat een week uit acht dagen bestond om het eerlijk te verdelen want ze houdt van allebei haar ouders. Het zou fijn zijn als ze een kalender had waarop ze kan zien wanneer ze op welk moment bij welke ouder verblijft.
Het hoofdverblijf
2.7.
De raad stelt het creëren van duidelijkheid voor de kinderen voorop te stellen, bij de beantwoording van de onderzoeksvraag waar het hoofdverblijf van de kinderen definitief moet worden bepaald. Voor de kinderen is er een tijdlang sprake geweest van een periode vol onveiligheid en onvoorspelbaarheid. Gezien is dat de man alles in het werk heeft gesteld om de kinderen zoveel mogelijk te beschermen tegen de gevolgen van de onrust en hen een stabiele thuis- en schoolsituatie te bieden. De kinderen hebben inmiddels al meer dan twee jaar het hoofdverblijf bij de man en niet is gebleken dat hij deze zorg niet aankan. Er is sprake van een gezonde ontwikkeling van de kinderen waarbij ondersteuning wordt gezocht voor de kinderen waar dat nodig is. Ook is gezien dat de man alles in het werk stelt om de vrouw te betrekken in het leven van de kinderen. Omdat er geen contra-indicaties worden gezien aan de zijde van de man en in het kader van voorspelbaarheid en structuur voor de kinderen adviseert de raad dat het hoofdverblijf bij de man wordt bepaald.
2.7.
De man heeft ter zitting zijn verzoek gehandhaafd. Hij acht het in het kader van het bewaren van de structuur en duidelijkheid van belang dat het hoofdverblijf van de kinderen bij hem wordt gecontinueerd en definitief bij hem wordt vastgesteld. Bovendien zou de verdeling van het hoofdverblijf van de kinderen over beide ouders gevolgen hebben voor de toeslagen die worden verstrekt. Omdat de goederen van de vrouw onder bewind staan, stelt de man dat de gelden van de toeslagen niet ten goede zullen komen aan de kinderen omdat de hoogte van het leefgeld van de vrouw niet zal worden aangepast.
2.8.
De vrouw heeft haar verzoek ter zitting gehandhaafd. Zij acht het eveneens van belang dat er duidelijkheid, structuur en regelmaat voor de kinderen komt en blijft. Ze zou het liefste zien dat het hoofdverblijf van de kinderen wordt verdeeld tussen beide ouders.
2.9.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het raadsrapport, de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling komt naar voren dat beide ouders, ondanks hun eerdere strijd en voorgeschiedenis, erin zijn geslaagd om grote stappen te zetten in de verbetering van hun onderlinge verstandhouding en communicatie als ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Gebleken is ook dat de kinderen een gezonde ontwikkeling doormaken en dat de ouders het eens zijn geworden over de hulp die voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is ingezet. De vader heeft hulp gezocht voor zichzelf en heeft een PTSS-traject doorlopen dat hij heeft afgerond in april 2026. De moeder heeft eveneens belangrijke stappen gezet in het op orde brengen van haar leven. Zo heeft zij woonruimte gevonden en heeft ze hulp gezocht voor haar financiën. Ook is ze, met begeleiding van een werkconsulent, op zoek naar werk. De ouders gunnen elkaar een rol in het leven van de kinderen en geven inmiddels al een tijd uitvoering aan de door de raad geadviseerde zorgregeling. De rechtbank ziet gelet hierop aanleiding om, anders dan door de raad is geadviseerd, het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de moeder te bepalen. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
2.10.
Uit het rapport van de raad en de stellingen van partijen komt naar voren dat de man zich zorgen blijft maken over het functioneren van de vrouw en dat de vrouw voorzichtigheid betracht in haar communicatie met de man uit angst dat mogelijke kritiek ertoe zal leiden dat haar contact met de kinderen opnieuw zal worden beperkt. De zorgen die de man op basis van het verleden nog steeds heeft over de vrouw werden en worden door de raad niet gezien. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de structuur en de voorspelbaarheid voor de kinderen in gevaar zouden komen bij een verdeling van het hoofdverblijf tussen partijen. Een verdeling van het hoofdverblijf tussen de ouders brengt juist meer balans en gelijkwaardigheid in de verhouding tussen partijen in hun rol als ouders. Het is vanaf nu verder aan de ouders om in het vrijwillig kader, eventueel met hulp via Team Jeugd van de gemeente, zich te blijven inzetten om hun onderlinge communicatie verder te verbeteren en het onderlinge vertrouwen te vergroten zodat zij vanuit een gelijke basis vorm kunnen geven aan het gezamenlijke ouderschap. Een verdeling van het hoofdverblijf van de kinderen zal daaraan kunnen bijdragen omdat het de positie van beide ouders gelijkwaardiger maakt. Voor zover er zorgen bestaan dat een wisseling van het hoofdverblijf onduidelijkheid bij de kinderen zal scheppen, overweegt de rechtbank dat het voor de kinderen in de praktijk geen verschil maakt wie bij welke ouder het hoofdverblijf heeft. Een wijziging van het hoofdverblijf heeft immers geen invloed op de lopende zorgregeling. Daarbij komt dat, bij eventuele vragen van hun kant, op een voor de kinderen begrijpelijke manier aan de kinderen kan worden uitgelegd wat een dergelijke wijziging inhoudt en voor hen betekent. Wat [minderjarige 1] betreft, wordt op deze manier ook tegemoetgekomen aan de wens die zij tijdens het kindgesprek zo duidelijk heeft uitgesproken: een gelijke en eerlijke verdeling tussen haar beide ouders bij wie zij zich bij beiden thuis voelt.
2.11.
De stelling van de man dat een wijziging van het hoofdverblijf zal betekenen dat de toeslagen voor [minderjarige 1] gelet op het bewind over de goederen van de vrouw niet ten goede zouden komen aan [minderjarige 1] omdat het leefgeld van de vrouw niet zal worden verhoogd, volgt de rechtbank evenmin. De vrouw ontvangt op dit moment weliswaar nog een bijstandsuitkering maar het ligt in de lijn van verwachting dat zij, mogelijk met hulp van de werkconsulent, op (korte) termijn een baan zal vinden en haar financiële positie zal verbeteren. Het kindgebonden budget dat de vrouw zal ontvangen vanaf het moment dat [minderjarige 1] het hoofdverblijf bij haar krijgt, zal weliswaar worden beheerd door de bewindvoerder maar deze toeslag is bedoeld voor en komt ten goede aan [minderjarige 1] . De vrouw heeft tijdens de zitting daarnaast onweersproken gesteld dat zij bij de bewindvoerder om een verhoging van haar leefgeld kan vragen wanneer zij iets extra’s voor de kinderen nodig heeft, er is immers geen sprake van een bewindvoering in het kader van WSNP maar van een beschermingsbewind.
2.12.
Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man om het hoofdverblijf van beide kinderen bij hem te bepalen voor wat betreft [minderjarige 1] afwijzen en wordt het verzoek van de vrouw het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen vanaf het moment dat zij eigen woonruimte heeft voor wat betreft [minderjarige 1] toegewezen.
De zorgregeling
2.13.
De ouders geven al geruime tijd uitvoering aan de door de raad geadviseerde zorgregeling. Onweersproken is dat de uitvoering goed verloopt en dat de ouders in overleg kunnen treden over onder meer de hulpverlening voor de kinderen en op de momenten dat er wordt afgeweken van de lopende regeling door bijvoorbeeld familiebezoek. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij het belangrijk vindt dat de kinderen zich thuis voelen bij zowel de man als de vrouw. De vrouw heeft benadrukt dat ze het belangrijk vindt om als ouders respectvol met elkaar om te gaan en om de kinderen te laten zien dat de ouders kunnen samenwerken als ouders. Ze heeft onweersproken gesteld dat de kinderen zich prettig voelen in haar nieuwe woning en dat de kinderen veel sociale contacten hebben in de kinderrijke buurt. Van belang is daarom dat de ouders blijven werken aan hun onderlinge communicatie en elkaar waar nodig, tijdig, informeren en navraag bij elkaar doen om misverstanden te voorkomen en de kinderen zo niet te belasten. Wanneer zij de positieve lijn die zij hebben ingezet blijven voortzetten, ziet de rechtbank mogelijkheden om op korte termijn toe te werken naar een evenredige verdeling van de zorgtaken in de vorm van co-ouderschap zoals partijen ook zelf steeds voor ogen hebben gehad en die [minderjarige 1] zo graag zou zien. De rechtbank zal voor het bepalen van de definitieve zorgregeling voor dit moment aansluiten bij het advies van de raad behoudens het wisselmoment op de woensdagen. De rechtbank ziet aanleiding om, als voorzet richting een gelijke verdeling van de zorgregeling, het wisselmoment op de woensdagen opnieuw te laten plaatsvinden na school of na de BSO. De stelling van de man dat de kinderen inmiddels zijn gewend aan de overdracht om 18.30 uur en de regeling daarom op deze manier dient te worden vastgelegd, volgt de rechtbank niet. Uit het raadsrapport is gebleken dat de kinderen veerkrachtig zijn en de rechtbank ziet geen reden waarom de kinderen hier niet in zouden kunnen aansluiten mits deze wijziging aan hen op een voor hen begrijpelijke wijze wordt uitgelegd. Het blijft voor de kinderen en de ouders moeilijk om afscheid te nemen tijdens de wisselmomenten maar het is aan de ouders om de kinderen daarin het goede voorbeeld te geven en hen daarin te begeleiden zodat zij onbevangen en onbelast contact kunnen hebben met beide ouders. Dat het de ouders is gelukt om [minderjarige 1] samen naar het kindgesprek te begeleiden en haar een ontspannen gevoel te geven, illustreert hoe ver de ouders al zijn gekomen in het proces van de verbetering van hun samenwerking en waartoe de ouders uit liefde voor de kinderen in staat zijn.
2.14.
Partijen zijn het eens over de verdeling van de vakanties en de feestdagen waarbij het uitgangspunt is dat deze bij helfte worden verdeeld. In vakanties van maximaal twee weken zal de reguliere zorgregeling doorlopen. Voor de zomervakantie zijn partijen overeengekomen dat de kinderen elk drie weken bij de ouders doorbrengen waarbij de verdeling van de weken in onderling overleg zal worden bepaald. Feestdagen worden in onderling overleg verdeeld behoudens Kerstmis en Oud en Nieuw. Partijen zijn overeengekomen dat de kinderen:
- in de even jaren op 23, 24 en 25 december tot 14.30 uur bij de man verblijven en in de oneven jaren bij de vrouw;
- in de even jaren op 25 december vanaf 14.30 uur bij de vrouw verblijven en op 26 en 27 december bij de man en in de oneven jaren andersom;
- in de even jaren op 28, 29 en 30 december bij de vrouw verblijven en in de oneven jaren bij de man;
- in de even jaren op 31 december en 1 januari bij de vrouw verblijven en in de oneven jaren bij de man.
De rechtbank zal conform de overeenstemming tussen partijen beslissen.
De kinderbijdrage
2.15.
De man heeft zijn verzoek met betrekking tot de kinderbijdrage ingetrokken. Zolang de rechtbank geen beschikking heeft gegeven, kunnen partijen hun verzoeken intrekken. De intrekking heeft dan tot gevolg dat het verzoek niet meer kan worden onderzocht. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek afwijzen.
2.16.
De vrouw verzoekt vanaf het moment dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben of zodra de zorgregeling wordt uitgebreid een door de man te betalen kinderbijdrage van € 767,00 per maand voor beide kinderen. Zij stelt van de bewindvoerder te hebben begrepen dat haar leefgeld per week zal worden verhoogd tot een bedrag van
€ 135,00 per week wanneer zij een kinderbijdrage ontvangt. De vrouw stelt dat zij enkel aflost op een kleine schuld aan de belastingdienst die door een misverstand over de kinderopvangtoeslag is ontstaan. Andere schulden die er zijn betreffen gedeelde familieschulden.
2.17.
De man verzoekt bij het bepalend van de door hem te betalen kinderbijdrage aan de vrouw rekening te houden met het hoofdverblijf van de kinderen bij de man, de feitelijke kosten die de man draagt en de huidige stabiele opvoedsituatie. Hij stelt dat het leefgeld van de vrouw van € 70,00 per week niet zal worden verhoogd wanneer één van de kinderen het hoofdverblijf bij de vrouw krijgt en zij een kinderbijdrage ontvangt. De man vreest dat het geld opgaat aan het betalen van schulden.
De behoefte
2.18.
Bij beschikking van 28 mei 2024 is de behoefte van de kinderen in 2022 bepaald op
€ 1.326,00 voor beide kinderen. Nu partijen geen andere gegevens hebben ingediend en de hoogte van de behoefte ook niet hebben betwist, zal de rechtbank uitgaan van dit bedrag. Na indexering bedraagt de behoefte in 2026 € 1.622,- voor beide kinderen.
De draagkracht
2.19.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens artikel 1:397 lid 2 BW Pro moeten de ouders namelijk naar rato van ieders draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
2.20.
Voor de berekening van de draagkracht van de ouders maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak (hierna: het Rapport) heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man en de vrouw is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij in beginsel met een budget voor wonen van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie.
Draagkracht man
2.21.
De rechtbank gaat voor de berekening van de draagkracht van de man uit van zijn loon volgens de jaaropgave 2025. De rechtbank berekent het NBI van de man, rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop voor een kind vervolgens op € 4.008,00 per maand. Het draagkrachtloos inkomen van de vader bedraagt dan € 2.567,00. Van het NBI van de vader blijft dan een bedrag van € 1.441,00 aan draagkrachtruimte over. Daarvan is volgens de aanbevelingen in het Rapport 70% beschikbaar voor een kinderbijdrage, dus € 1.009,00.
Draagkracht vrouw
2.22.
Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van het door haar overgelegde maandoverzicht van de bewindvoerder. De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering. De hoogte van de uitkering voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder blijft gelijk zodat wordt gerekend met een bedrag van € 1.401,50 per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop bedraagt het NBI van de moeder € 1.660,00 per maand. Ingevolge de aanbevelingen in het Rapport, heeft een verzorgende ouder met een bijstandsuitkering geen draagkracht en een niet-verzorgende ouder met een bijstandsuitkering een minimale draagkracht van € 25,00. Dit betekent dat er enkel voor [minderjarige 2] rekening wordt gehouden met een minimale draagkracht van € 25,00.
Draagkrachtvergelijking
2.23.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben om alle kosten van de kinderen te betalen, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
2.24.
De gezamenlijke draagkracht van partijen van (1.009 + 25 =) € 1.034,00 is lager dan de behoefte van de kinderen (1.622). Een draagkrachtvergelijking blijft daarom achterwege.
Zorgkorting
2.25.
Tot slot krijgt de ouder die de kinderbijdrage moet betalen korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de zorgkorting genoemd. Bij een tekort aan gezamenlijke draagkracht is het uitgangspunt dat de ouders ieder de helft van dat tekort dragen. De zorgkorting kan dan niet volledig worden verzilverd.
2.26.
Tussen de ouders staat niet ter discussie dat de zorgkorting gelet op de zorgregeling 35% bedraagt. De zorgkorting bedraagt aldus (35% x € 1.622,00 =) afgerond € 568,00 voor beide kinderen. Het tekort aan gezamenlijke draagkracht bedraagt € 588,00. Het gedeelde tekort bedraagt dan € 294,00. Dit betekent dat de man aanspraak kan maken op een zorgkorting van ((568 – 294)/2) € 137,00 voor [minderjarige 1] . Dit betekent dat hij voor [minderjarige 1] met ingang van de datum van deze beschikking € 368,00 per maand voor haar aan de vrouw kan betalen, hetgeen de rechtbank ook zal bepalen.
2.27.
Doorgaans wordt de kinderbijdrage betaald aan de ouder bij wie een kind zijn/haar hoofdverblijfplaats heeft. Daarbij is het uitgangspunt dat de ouder waar het kind in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven, alle verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt en dat de andere ouder (de zogenoemde niet-verzorgende ouder) de kosten die samenhangen met het verblijf bij hem/haar (de zogenoemde zorgkosten) voor zijn/haar rekening neemt. Onder omstandigheden kan de niet-verzorgende ouder in aanmerking komen voor een bijdrage in de zorgkosten door de verzorgende ouder. Zo’n situatie doet zich bijvoorbeeld voor als de niet-verzorgende ouder onvoldoende draagkracht heeft om de zorgkosten van het kind te voldoen. De vraag of en, zo ja, in hoeverre de niet-verzorgende ouder bij wie het kind meer dan incidenteel verblijft, maar niet zijn hoofdverblijf heeft, tegenover de verzorgende ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten die zijn gemoeid met de verzorging en opvoeding van het kind gedurende dat meer dan incidentele verblijf, moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte (artikel 1:397 leden Pro 1 en 2 BW en artikel 1:404 lid 1 BW Pro). Voor het opleggen van een verplichting aan de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, om bij te dragen in de zorgkosten van de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijf heeft, is niet vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden (zie ECLI:NL:HR:2022:1924).
Volgens de door de rechtbank te bepalen zorgregeling, zal [minderjarige 2] meer dan incidenteel bij de vrouw verblijven. Het aandeel van de vrouw voor [minderjarige 2] is € 25,00. Net als bij de man voor [minderjarige 1] , zou hiervan nog de zorgkorting van € 137,00 moeten worden toegepast. De vrouw kan deze niet verzilveren vanwege haar beperkte draagkracht en beperkte aandeel. De vrouw komt dan (25 – 137) € 112,- tekort om in de kosten van [minderjarige 2] te voorzien wanneer hij bij haar verblijft. De man heeft wel voldoende draagkracht om de kosten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgens zijn aandeel te voldoen en hij houdt nog draagkracht over (1.009 – (505 + 368) = 136), ermee rekening houdend dat [minderjarige 2] ook deels bij de vrouw zal verblijven. De man kan daarom in staat worden geacht om het tekort voor [minderjarige 2] te voldoen. Zo wordt ervoor gezorgd dat ook tijdens het verblijf van [minderjarige 2] bij de vrouw, in zijn behoefte kan worden voorzien. De man draagt dan bij tot bijna zijn volledige draagkracht, maar het is in het belang van de kinderen dat bij beide ouders zoveel mogelijk in hun kosten kunnen worden voorzien. Dit leidt er dus toe dat de man ook voor [minderjarige 2] een kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen, van € 112,- per maand.
De man heeft verzocht om rekening te houden met de feitelijke kosten die hij op dit moment voor de kinderen maakt. Zo draagt hij onder meer de kosten voor muzieklessen, kunsteducatie en aanvullende begeleiding en therapie. Gelet op de verdeling van de kosten van de kinderen zoals hiervoor overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat de ouders in onderling overleg over deze kosten ervoor zorgen dat de kinderen zoveel mogelijk kunnen blijven deelnemen aan hun hobby’s en toegang hebben tot de voor hen benodigde begeleiding en therapie. Zodra de vrouw een baan vindt en haar financiële positie verbeterd, is het aan de vrouw om de man daarover in te lichten zodat partijen kunnen overgaan tot een mogelijke herberekening van de kinderbijdrage.
2.28.
De rechtbank zal de alimentatieberekening die ten grondslag ligt aan bovenstaande overwegingen in deze beschikking opnemen, zie bijlage (3 pagina’s).

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat het hoofdverblijf van de [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats 1] (Ierland) bij de vrouw zal zijn;
3.2.
bepaalt dat het hoofdverblijf van de [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 2] (Engeland) bij de man zal zijn;
3.3.
bepaalt dat de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken:
- van zaterdag 18.30 uur tot woensdag voor school bij de man verblijven en vanaf woensdag na school of de BSO tot zaterdag 18.30 uur bij de vrouw verblijven;
- in de schoolvakanties van maximaal twee weken conform de reguliere zorgregeling bij de ouders verblijven;
- in de zomervakantie drie weken bij iedere ouder verblijven waarbij de verdeling van de weken in onderling overleg wordt verdeeld;
- tijdens de feestdagen behoudens de kerstperiode in onderling overleg bij de ouders verblijven waarbij het uitgangspunt is dat de feestdagen bij helfte worden verdeeld;
- in de even jaren op 23, 24 en 25 december tot 14.30 uur bij de man verblijven en in de oneven jaren bij de vrouw;
- in de even jaren op 25 december vanaf 14.30 uur bij de vrouw verblijven en op
26 en 27 december bij de man en in de oneven jaren andersom;
- in de even jaren op 28, 29 en 30 december bij de vrouw verblijven en in de oneven jaren bij de man;
- in de even jaren op 31 december en 1 januari bij de vrouw verblijven en in de oneven jaren bij de man;
3.4.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw heeft te betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 368,00 per maand voor [minderjarige 1] en € 112,- per maand voor [minderjarige 2] , voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
3.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Geerman, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 20 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.