ECLI:NL:RBLIM:2026:7772

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
03.222425.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 77c SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor tweemaal medeplegen van oplichting met toepassing jeugdstrafrecht

De rechtbank Limburg heeft op 29 juli 2026 de verdachte veroordeeld wegens tweemaal medeplegen van oplichting. De feiten betreffen twee afzonderlijke oplichtingszaken waarbij slachtoffers telefonisch werden benaderd en misleid om sieraden en contant geld af te geven. De verdachte speelde een essentiële rol in het samenwerkingsverband door onder meer het ophalen van de goederen bij de slachtoffers.

De verdachte was ten tijde van de feiten 20 jaar oud en de rechtbank besloot het jeugdstrafrecht toe te passen vanwege haar persoonlijke omstandigheden, waaronder ADHD en mogelijke ASS-problematiek, en de adviezen van Bureau Jeugdzorg en de reclassering. De opgelegde straf bestaat uit een voorwaardelijke jeugddetentie van vier maanden met een proeftijd van twee jaar, een werkstraf van 150 uur en bijzondere voorwaarden zoals ambulante behandeling en begeleiding.

De rechtbank kende ook schadevergoedingen toe aan de benadeelden: €5.000,- voor de sieraden en €2.000,- voor het contante geld, vermeerderd met wettelijke rente. De verdachte werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten en de voorlopige hechtenis werd opgeheven. De straf en voorwaarden zijn gericht op pedagogische beïnvloeding en het voorkomen van recidive.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot voorwaardelijke jeugddetentie van vier maanden, een werkstraf van 150 uur en schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.222425.25
tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte'] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J.H.M. de Crom, advocaat te Eindhoven.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 juli 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[naam 1] en [naam 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Geen van beiden is op zitting verschenen. Namens [naam 2] is mevrouw [naam 3] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland, op zitting gehoord. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1:(primair)op 9 juni 2025 samen met anderen [naam 2] heeft opgelicht dan wel
(subsidiair)samen met anderen sieraden van [naam 2] heeft gestolen, waarbij de verdachte en/of haar mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil in de woning van [naam 2] bevond(en);
Feit 2:op 6 juni 2025 samen met anderen [naam 1] heeft opgelicht.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 2 verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van het bellen van [naam 1] en zich voordoen als bankmedewerker en het [naam 1] vertellen dat i) iemand poogde een geldbedrag van zijn bankrekening af te halen, ii) hij het programma Anydesk moest installeren, iii) hij een cryptoaccount aan moest maken en iv) hij met de bank contact op moest nemen en de bank de opdracht moest geven om een geldbedrag over te maken naar dat cryptoaccount. Deze handelingen zijn door anderen gepleegd, terwijl de verdachte hiervan niet afwist en haar rol geheel daarvan los staat. Ze heeft op boven-genoemde handelingen geen opzet gehad.
Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Feit 1
Aangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijs-middelen:
  • de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 juli 2026;
  • het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] (namens zijn moeder [naam 2] ) van 9 juni 2025
De rechtbank spreekt de verdachte wegens het ontbreken van bewijs vrij van het betreden van de woning van [naam 2] .
Feit 2
Bewijsmiddelen
In het
proces-verbaal van de aangifte van [naam 1] van 7 juni 2025staat het volgende gerelateerd [3] :
Op 6 juni 2025 bevond ik mij in mijn woning op de [adres 2] . Op enig moment hoorde ik dat de thuistelefoon begon te rinkelen. Ik zag dat er gebeld werd met telefoonnummer [telefoonnummer' 1] . Ik denk dat dit omstreeks 20:00 uur is geweest. Ik hoorde de persoon aan de andere kant van de telefoon zeggen dat ik sprak met een medewerker van de ABN-AMRO bank. Hij gaf op te zijn genaamd [naam 5] . Ik hoorde de medewerker zeggen dat er 500 euro van mijn rekening gehaald werd. Ik hoorde dat de medewerker tegen mij zei dat er gepoogd werd nogmaals 500 euro van mijn rekening te halen. Men wilde dit voorkomen, maar op een of andere wijze lukte dat niet, omdat mijn bank dit tegenhield. Ik moest een programma installeren: Anydesk. Ik moest ook een cryptoaccount aanmaken. Dit heb ik ook gedaan. Gegevens van deze cryptorekening: [gegevens] . Ik zag dat er nog 17,70 euro op dit account staat. Dit heb ik gedaan. Ik moest vervolgens met de bank contact opnemen op telefoonnummer [telefoonnummer' 2] en hen zeggen dat ze deze 500 euro meteen moesten overmaken, omdat ik anders ook deze 500 euro kwijt zou raken. Ik moest maar een beetje kwaad zijn anders zou de bank mij niet helpen.... Ik heb met mijn bank gebeld en heb hen gesommeerd om het bedrag over te maken. Uiteindelijk heeft de bank het geld overgemaakt. Ik werd een uur later weer gebeld door dezelfde [naam 5] . Hij gaf aan dat ik zo snel mogelijk 12.500 euro moest overmaken vanaf mijn spaarrekening naar mijn betaalrekening. Vervolgens moest ik deze 15.250 euro overmaken naar dhr [naam 6] . [naam 5] verklaarde dat dit een nep account was en dat geld zo spoedig mogelijk teruggestort werd. Ik heb dat geld van mijn spaarrekening naar mijn betaalrekening overgemaakt. Ik kon niet zomaar zoveel geld in een keer overmaken en moest dus de bank bellen en zeggen dat ze dit bedrag moesten overmaken naar een cryptoplatform. Ook nu moest ik weer agressief zijn naar de bank, omdat zij waarschijnlijk zouden zeggen dat [naam 5] een oplichter was terwijl de bank de oplichter is naar zeggen van [naam 5] . [naam 5] vroeg toen hoeveel cash geld ik in huis had. Ik antwoordde dat ik zo'n 2000 euro in huis had. [naam 5] gaf aan dat een medewerker van de ABN-AMRO bij mij aan de deur zou komen om het geld op te halen. Deze medewerker zou het geld dan naar een ABN-AMRO kantoor brengen in Maastricht. Het geld werd dan geregistreerd en dan zou men mijn geld binnen een uur terugbrengen. Ik kreeg een code waarmee ik kon verifiëren dat de juiste persoon aan de deur stond. De code betrof [code] . Deze medewerker zou heten: [naam 7] . [naam 5] gaf aan dat hij op 7 juni 2025 te 1:00 uur terug zou bellen om te informeren of alles goed was gegaan. Na ongeveer 50 minuten meldde zich een juffrouw aan mijn deur. Deze juffrouw vertelde mij de code die ik aan de telefoon had gekregen waarna ik de envelop met 2000 euro overhandigde. De juffrouw vertrok na het overhandigen van de envelop gelijk weer.
De verdachte verklaarde tijdens de terechtzitting van 15 juli 2026als volgt:
Het klopt dat ik naar de woning van [naam 1] ben gegaan. Ik heb daar aangebeld en de code genoemd. Ik heb vervolgens het geld meegenomen. Anderen hebben telefonisch met [naam 1] gesproken. Ik heb de code van hun gekregen.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht de rechtbank ook de handelingen bewezen met betrekking tot de oplichting van het giraal geld. Daartoe overweegt zij als volgt.
De verdachte heeft verklaard dat zij wist van het vooropgezette plan om [naam 1] op te lichten. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er sprake was van een duidelijk samenwerkings-verband. De verdachte en haar mededaders hebben verschillende handelingen verricht, die elkaar opvolgden of simultaan plaatsvonden en die moeten zijn afgestemd om het gemeenschappelijke doel (het afhandig maken van geld) te bereiken. De verdachte was in het samenwerkingsverband een onmisbare schakel in de uitvoering en heeft met haar rol een actieve bijdrage geleverd en een essentiële rol vervuld bij de voltooiing van de oplichting. Dat de verdachte geen weet had van de precieze gedragingen die haar mededaders hebben verricht, doet daaraan niet af. Het gemeenschappelijk doel bleef hetzelfde, namelijk geld afhandig maken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 1 primair
op 9 juni 2025 te Heerlen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels [naam 2] heeft bewogen tot de afgifte van sieraden, door
- [naam 2] te bellen,
- [naam 2] te vertellen dat een medewerkster goederen van waarde zou komen ophalen,
- zich naar de woning van [naam 2] te begeven,
- bij [naam 2] aan te bellen en
- de juwelen van [naam 2] mee te nemen;
Feit 2
op of omstreeks 6 juni 2025 te Heerlen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels [naam 1] heeft bewogen tot de afgifte van een contant geldbedrag, door
- [naam 1] te bellen en zich voor te doen als een bankmedewerker,
- [naam 1] te vertellen dat iemand poogde een geldbedrag van zijn bankrekening af te halen,
- [naam 1] te vertellen dat hij het programma Anydesk moest installeren,
- [naam 1] te vertellen dat hij een cryptoaccount aan moest maken,
- [naam 1] te vertellen dat hij met de bank contact op moest nemen en de bank de opdracht moest geven om een geldbedrag over te maken naar dat cryptoaccount,
- [naam 1] te vragen naar contant geld en
- zich naar de woning van [naam 1] te begeven,
- bij [naam 1] aan te bellen,
- zich aan de deur van [naam 1] voor te doen als bankmedewerker en een controlecode te noemen en
- een contant geldbedrag mee te nemen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 primair en 2
telkens:medeplegen van oplichting
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het jeugdstrafrecht toe te passen en de verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren met aftrek van het voorarrest op te leggen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht het jeugdstafrecht toe te passen en de verdachte geen voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, dan wel een voorwaardelijke gevangenisstraf indien de rechtbank het jeugdstrafrecht niet zal toepassen. Een deels voorwaardelijke taakstraf, al dan niet in de vorm van een werkstraf, zou volgens de verdediging het meet passen zijn
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft samen met anderen twee personen opgelicht; een van de slachtoffers was hoogbejaard. De slachtoffers werden telefonisch benaderd en de daders deden zich daarin voor als bankmedewerker of hadden een andere hoedanigheid. Tijdens dat telefoongesprek werden de slachtoffers bewogen tot het afgeven van sieraden respectievelijk contant geld aan zijn/haar zogenaamde collega die even later langs zou komen. Die zogenaamde collega was de verdachte. Zij haalde de kostbare goederen thuis bij de slachtoffers op.
Dit betreft een ernstige vorm van criminaliteit die, naast financiële en emotionele schade, ook gevoelens van angst en onveiligheid teweegbrengt. Het is extra kwalijk dat juist oudere mensen doelbewust tot slachtoffer zijn gemaakt vanwege hun grote kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Deze oudere slachtoffers zijn in toenemende mate afhankelijk van hun medemensen. De verdachte heeft daarvan op laffe en slinkse wijze misbruik gemaakt. Met haar handelen heeft de verdachte hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens ernstig geschaad. Dat dit daadwerkelijk veel impact heeft gehad op in ieder geval een van de slachtoffers blijkt wel uit de schriftelijke verklaring die namens [naam 2] ter zitting is voorgehouden en de stukken die zich in het dossier bevinden. Daarnaast leiden dergelijke feiten tot maatschappelijke onrust. De verdachte heeft hiermee op geen enkele manier rekening gehouden.
De verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 20 jaar en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd daartoe aanleiding geven.
De reclassering adviseert in haar rapport van 18 juni 2026 het jeugdstrafrecht toe te passen. Ter terechtzitting zijn [naam 8] , werkzaam bij Bureau Jeugdzorg, en [naam 9] , werkzaam bij de reclassering, gehoord. Zij blijven bij het advies het jeugdstrafrecht toe te passen. Zij brengen naar voren dat de verdachte zich goed kan presenteren, maar dat haar functioneren onder het gemiddelde ligt en dat zij kampt met ADHD en mogelijk autisme (ASS-problematiek). De verdachte heeft problemen in haar jeugd gehad. Op jonge leeftijd werd zij al onder toezicht gesteld en verbleef daardoor in verschillende instellingen. Door haar moeilijke jeugd is zij ook sociaal-emotioneel achtergebleven. Zelfstandigheid en een plek met rust, stabiliteit, duidelijke structuur en voorspelbaarheid zijn belangrijk voor haar ontwikkeling. De begeleiding moet aansluiten bij haar behoeften om vooruitgang te boeken. Een toezicht door de jeugdreclassering wordt gezien als de beste vorm van begeleiding. De verdachte heeft goed meegewerkt aan de schorsingsvoorwaarden. Zij komt gemotiveerd over en de huidige begeleiding door Bureau Jeugdzorg sluit goed aan bij haar behoeften. Er is inmiddels een plek gevonden waar de verdachte, indien de rechtbank overgaat tot het opleggen van bijzondere voorwaarden, kan beginnen met de ambulante behandeling.
De reclassering adviseert (derhalve) om bij een veroordeling aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: begeleiding door jeugdreclassering, ambulante behandeling en dagbesteding. De reclassering heeft daarbij opgemerkt dat, als verdachte een jeugddetentie dan wel gevangenisstraf wordt opgelegd, dit het risico meebrengt dat zij haar woning kwijt raakt die zij na jaren van leven in instanties heeft weten te bemachtigen.
Op basis van het voorgaande, en de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde 20 jaar oud was, is de rechtbank van oordeel dat pedagogische beïnvloeding van de verdachte nog mogelijk lijkt en dat zij daarbij gebaat zal zijn. De huidige begeleiding door Bureau Jeugdzorg sluit immers ook goed aan bij haar behoeften. De rechtbank betrekt in dat oordeel ook de aard van haar rol binnen het geheel. De verdachte heeft niet laten zien dat sprake was van een sterk doordachte, zelfstandige of sturende bijdrage. Haar wijze van handelen past daarmee meer binnen het beeld van een jeugdige die nog begeleiding en pedagogische beïnvloeding nodig heeft. De rechtbank zal vanwege het voorgaande dan ook toepassing geven aan het jeugdstrafrecht.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in ieder geval een forse voorwaardelijke straf moet krijgen als grote stok achter de deur om geen nieuwe strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal de verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen, omdat de verdachte anders haar woning kan verliezen en dit juist de kans op recidive kan verhogen. De rechtbank is vanwege de ernst van de feiten wel van oordeel dat, naast een voorwaardelijke jeugddetentie, ook een onvoorwaardelijke werkstraf dient te volgen. Niet kan worden volstaan met enkel een (deels voorwaardelijke) werkstraf.
Al met al vindt de rechtbank de eis van de officier van justitie tot het opleggen van 4 maanden jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden conform de adviezen van de reclassering en een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uren met aftrek van het voorarrest passend en geboden en zij zal deze volgen.
De rechtbank zal de (geschorste) voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.

7.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[naam 4] vordert namens zijn moeder [naam 2] een schade-vergoeding van € 7.275,-, bestaande uit materiële schade ter zake van feit 1.
De benadeelde [naam 1] heeft in de vordering een schade van € 3.000,- opgegeven, waarvan € 1.000,- is vergoed. De rechtbank begrijpt de vordering aldus dat [naam 1] een schadevergoeding van € 2000,- vordert, bestaande uit materiële schade ter zake van feit 2.
De benadeelden hebben verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van beide vorderingen, met vermeerdering met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de vordering van [naam 2] heeft de verdediging primair verzocht de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren, nu het vaststellen van de waarde van de sieraden een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair verzoekt de verdediging het bedrag te matigen tot een bedrag van € 2.000,-. Ten aanzien van de vordering van [naam 1] heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [naam 2]
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde is bewogen tot afgifte van haar sieraden, zodat een rechtstreeks verband bestaat tussen het handelen van de verdachte en de gevorderde schade. Namens de benadeelde zijn bij de vordering documenten gevoegd waarin de waarde van de sieraden wordt geschat. Wat de exacte huidige waarde is van de sieraden, blijft onduidelijk. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de te betalen schadevergoeding bepalen op € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f Sr opleggen.
Benadeelde partij [naam 1]
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 bewezen-verklaarde is bewogen tot afgifte van contant geld, zodat een rechtstreeks verband bestaat tussen het handelen van de verdachte en de gevorderde schade. De vordering is voldoende onderbouwd en uit het dossier volgt dat een bedrag van € 2.000,- aan contant geld afhandig is gemaakt. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen, met vermeerdering met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f Sr opleggen

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77c, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Jeugddetentie
- veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 4 maanden;
- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
Begeleiding door jeugdreclassering
Veroordeelde werkt mee aan het toezicht door de jeugdreclassering en meldt zich op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt;
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door METGGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door Bureau Jeugdzorg Limburg. De behandeling duurt zolang Bureau Jeugd-zorg dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
  • geeft aan Bureau Jeugdzorg Limburg, Centraal Bureau, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt
medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugd-reclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
Werkstraf
  • veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren;
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 75 dagen;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;
Voorlopige hechtenis:
- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;
Benadeelde partij [naam 2] (t.a.v. feit 1 primair)
  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 2] , van een bedrag van € 5.000,-, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 2] van een bedrag van € 5.000,-, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • de verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
Benadeelde partij [naam 1] (t.a.v. feit 2)
  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 1] , van een bedrag van € 2.000,-, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] , van een bedrag van € 2.000,-, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • de verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R.C. Custers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juli 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
Feit 1
zij, op of omstreeks 9 juni 2025 te Heerlen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[naam 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten één of meer sieraden, door
- voornoemde [naam 2] te bellen en/of
- voornoemde [naam 2] te vertellen dat een medewerkster goederen van waarde zou komen ophalen en/of
- zich naar de woning van voornoemde [naam 2] te begeven en/of
- bij voornoemde [naam 2] aan te bellen en/of
- de woning van voornoemde [naam 2] te betreden en/of
- de juwelen van voornoemde [naam 2] mee te nemen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij, op of omstreeks 9 juni 2025 te Heerlen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten in [adres 3] , alwaar verdachte en/of haar mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), één of meer sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Feit 2
zij, op of omstreeks 6 juni 2025 te Heerlen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[naam 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een (contant) geldbedrag, door
- voornoemde [naam 1] te bellen en zich voor te doen als een bankmedewerker en/of
- voornoemde [naam 1] te vertellen dat iemand poogde een geldbedrag van zijn bankrekening af te halen en/of
- voornoemde [naam 1] te vertellen dat hij het programma Anydesk moest installeren en/of
- voornoemde [naam 1] te vertellen dat hij een crypto account aan moest maken en/of
- voornoemde [naam 1] te vertellen dat hij met de bank contact op moest nemen en/of de bank de opdracht te geven om een geldbedrag over te maken naar dat crypto account en/of
- voornoemde [naam 1] te vragen naar contant geld en/of
- zich naar de woning van voornoemde [naam 1] te begeven en/of
- bij voornoemde [naam 1] aan te bellen en/of
- zich aan de deur van voornoemde [naam 1] voor te doen als bankmedewerker en/of
- een controlecode te noemen en/of
- een contant geldbedrag mee te nemen.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2431- 2025126523, gesloten op 7 september 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 155.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] (namens zijn moeder [naam 2] ) van 9 juni 2025, pagina 7 en 8.
3.Het proces-verbaal van de aangifte van [naam 10] van 6 juli 2025, pagina 11 tot en met 15.