Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[eisende partij 1] ,
2.
[eisende partij 2],
1.[gedaagde partij 1] B.V.,
2.
[gedaagde partij 2],
3.
[gedaagde partij 3],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met negen producties, genummerd 17 t/m 25,
- de brief van de rechtbank waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
2.De feiten
[gedaagde partij 1] is op enig moment eigenaar geworden van het in 1930 gebouwde bedrijfsrestaurant met bedrijfswoning aan de [adres 1] te [plaats 1] . Dat pand heeft zij in 2021 tot drie wooneenheden laten verbouwen met als doel om deze later te verkopen. De voormalige bedrijfswoning is een zelfstandige woning geworden. Het restaurant is verbouwd tot twee woningen, die één dak delen. Laatstgenoemde twee woningen zijn gelegen aan de [adres 2] en [adres 3] te [plaats 1] .
19 maart 2023 [6] . Het rapport is op 20 maart 2023 gemaild aan [gedaagde partij 2] [7] .
3.Het geschil
28 oktober 2024, een schadevergoeding aan eiseressen te voldoen conform de berekening in het rapport van [bedrijf 1] van januari 2025, te vermeerderen met een aanvullende schadevergoeding voor gemaakte kosten. Eiseressen verwachten verder dat zij nog meer schade zullen lijden, gelet op de bevindingen van [deskundige] en [naam] [32] over – kort gezegd – constructiefouten in de woningen. Ook daarvoor zijn gedaagden volgens eiseressen aansprakelijk. Eiseressen vorderen om die schade op te maken in een schadestaatprocedure.
4.De beoordeling
“Verkoper(s)”is:
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (de zogenaamde Haviltex-maatstaf). De uitleg van het begrip “verkoper(s)” is mede afhankelijk van de zin die de contractspartijen in de gegeven omstandigheden, over en weer, redelijkerwijs aan de tekst van de koopovereenkomsten mochten toekennen, en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.
[gedaagde partij 1] [41] en dat [gedaagde partij 1] geen redelijke termijn gegeven is voor herstel en zij daardoor niet in verzuim geraakt is. De vorderingen jegens [gedaagde partij 1] dienen volgens gedaagden daarom te worden afgewezen.
12 januari 2024 in verzuim met een voldoende deugdelijk herstel van het platte dak van de woningen.
€ 128.838,57 inclusief btw en daarbij verwijzen zij naar de begroting van [naam] in het rapport van januari 2025 [45] . Dit rapport bevat in de bijlagen 1 en 2 een gedetailleerde begroting van de kosten voor herstel van het platte dak.
€ 41.950,00 dan wel € 14.092,85 en de overige kosten € 15.370,90 [46] . Bij de berekening van de herstelkosten moet bovendien rekening worden gehouden met een correctie ‘nieuw voor oud’ en dat heeft [naam] niet gedaan, aldus gedaagden.
€ 14.092,85 is geen offerte overgelegd. Dit bedrag is daarom niet controleerbaar. Productie 25 van gedaagden betreft een offerte van [bedrijf 3]. Die offerte, die onder andere dak-werkzaamheden betreft, is niet door een dakdekker verstrekt en daarom onvoldoende. Gedaagden hebben geen eigen deskundigenrapport overgelegd ter betwisting van de gevorderde kosten voor het herstel van het gebrekkige dak.
€ 128.838,57 inclusief btw. Zij zijn bij de berekening van ieders hoofdsom uitgegaan van ieders aandeel in de totale oppervlakte van het dak. Volgens hen is dat 44% voor [eisende partij 1] en 56% voor [eisende partij 2] . Rekening houdend met artikel 6:97 BW Pro acht de rechtbank deze verdeelsleutel deugdelijk als onderbouwing van ieders hoofdsom, nu er sprake is van één dak en de genoemde percentages niet betwist zijn door gedaagden.
€ 56.688,97 inclusief btw voor [eisende partij 1] + € 72.149,60 inclusief btw voor [eisende partij 2] (in totaal € 128.838,57 inclusief btw).
5.De beslissing
€ 56.688,97 inclusief btw en aan eiseres sub 2 te betalen een bedrag van € 72.149,60 inclusief btw, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 11 februari 2025 (dag van dagvaarding), tot de dag van volledige betaling van het desbetreffende bedrag,