ECLI:NL:RBLIM:2026:7849

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
03.192647.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot afpersing met mishandeling en bedreiging in eendaadse samenloop

De rechtbank Limburg heeft op 28 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging tot afpersing, mishandeling en bedreiging jegens de benadeelde partij. De feiten vonden plaats in oktober en november 2024 te Roermond. De verdachte heeft het slachtoffer onder meer een kopstoot gegeven en hem via WhatsApp bedreigd.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het onderdeel medeplegen bij de poging tot afpersing. Er was sprake van eendaadse samenloop tussen de poging tot afpersing en mishandeling. De verdachte werd vrijgesproken van medeplegen omdat de medeverdachten onvoldoende nauwe samenwerking hadden.

De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn emotionele betrokkenheid bij de overval op zijn schoonvader en zijn psychosociale problematiek. Daarom werd een lagere straf opgelegd dan geëist: een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 80 uren.

De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, waarvan de rechtbank €350 aan immateriële schade toekende wegens lichamelijk letsel, maar de materiële schadevordering werd niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van de immateriële schade met wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, een taakstraf van 80 uren en betaling van €350 immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.192647.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. Y.W.A.M. van der Koelen, advocaat kantoorhoudende te Tegelen.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 juli 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. T.R.S. Franssen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.164364.25.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
feit 1:op 29 oktober 2024 te Roermond al dan niet samen met (een) ander(en) door geweld en bedreiging met geweld heeft geprobeerd [benadeelde] te dwingen tot de afgifte van geld;
feit 2:op 29 oktober 2024 te Roermond [benadeelde] heeft mishandeld door hem een kopstoot te geven;
feit 3:in de periode van 1 november 2024 tot en met 10 november 2024 [benadeelde] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle drie de ten laste gelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de drie ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel medeplegen zoals ten laste gelegd onder feit 1.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
3.3.1
Feiten 1 en 2: medeplegen poging tot afpersing en mishandeling
De rechtbank acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen met uitzondering van het onderdeel ‘medeplegen’. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, omdat de verdachte de feiten heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit (artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:
- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 juli 2026; [2]
- de aangifte van [benadeelde] ; [3]
- de medische informatie over [benadeelde] ; [4]
- het proces-verbaal van bevindingen. [5]
Partiële vrijspraak medeplegen
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het onderdeel medeplegen. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] in het appartement op de eerste verdieping van aangever [benadeelde] is geweest en dat de verdachte degene is die aangever heeft bedreigd met geweld en ook daadwerkelijk geweld heeft gebruikt. De medeverdachte [medeverdachte 1] is beneden gebleven en heeft tegen een omstander gezegd dat hij naar buiten moest gaan. De rechtbank is van oordeel dat de bijdragen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan de door verdachte gepleegde poging tot afpersing met geweld van onvoldoende gewicht zijn om te komen tot een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Daarom zal de rechtbank de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Eendaadse samenloop feiten 1 en 2
De onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten leveren naar het oordeel van de rechtbank een zodanig samenhangend en op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op, dat de verdachte daarvan één verwijt kan worden gemaakt. Daarmee is er sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 Wetboek Pro van Strafrecht.
3.3.2
Feit 3: bedreiging
De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit (artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:
- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 juli 2026; [6]
- het proces-verbaal van bevindingen. [7]
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1
op 29 oktober 2024 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld, [benadeelde] te dwingen tot de afgifte van een bedrag van 5600 euro, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte
- zich heeft begeven naar het appartementencomplex van die [benadeelde] ,
- vervolgens het appartementencomplex van die [benadeelde] is binnengedrongen,
- vervolgens die [benadeelde] een kopstoot heeft gegeven,
- vervolgens die [benadeelde] ertoe heeft gezet om de voordeur van zijn appartement te openen,
- ( vervolgens) in de woning van die [benadeelde] meermalen aan die [benadeelde] heeft gevraagd om over te gaan tot afgifte van het geldbedrag en hierbij meerdere malen heeft geroepen tegen die [benadeelde] dat hem iets wordt aangedaan en dat de woning van die [benadeelde] wordt afgebroken indien die [benadeelde] niet overgaat tot afgifte van het geldbedrag,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
op 29 oktober 2024 in de gemeente Roermond [benadeelde] heeft mishandeld, door die [benadeelde] een kopstoot te geven;
feit 3
in de periode van 1 november 2024 tot en met 10 november 2024 in Nederland [benadeelde] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde] (middels whatsappberichten) dreigend de woorden toe te voegen:
- " Heb je geld??? Die spullen regel ik verder... 5600 zijn weg gekomen die komen terug maakt me niet uit hoe je het gaat doen maar je regelt het. Dan zijn we uit gepraat.. je kan beter hopen dat de politie je eerder gaat vinden" en
- " Ik pak je toch vluchten heeft geen zin.. beter zorg je dat geld terug komt voor ik je heb! Je komt hier niet mee weg vriend want ik slag je af in je eigen huis".
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1 en feit 2:
poging tot afpersing;
in eendaadse samenloop gepleegd met
mishandeling;
feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf en/of de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om geen langdurige gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, omdat dit de reeds ingezette behandeling zou doorkruisen. Zij heeft verzocht te volstaan met een taakstraf al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft een geprobeerd om het slachtoffer te dwingen tot afgifte van een geldbedrag. Hij heeft het slachtoffer, die betrokken was bij de overval op zijn schoonvader en daarvoor ook is veroordeeld, onder druk gezet om het geldbedrag dat bij de overal is weggenomen terug te betalen. De verdachte heeft daarbij het slachtoffer in diens eigen woning opgezocht en hem een kopstoot gegeven. De verdachte is zonder geldbedrag vertrokken en heeft daarna nog dreigende Whatsapp-berichten gestuurd naar het slachtoffer. De verdachte heeft met zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Dat het slachtoffer betrokken is geweest bij de overval op zijn schoonvader, geeft verdachte niet het recht om voor eigen rechter te spelen. Hij had dan ook gewoon de politie moeten bellen op het moment dat hij [benadeelde] gelokaliseerd had.
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte. Hieruit volgt dat hij eerder, maar niet recentelijk, voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Het reclasseringsrapport van 9 juli 2026 vermeldt over de verdachte dat hij de afgelopen jaren een moeilijke tijd heeft gekend vanwege de ziekte van zijn partner. De verdachte heeft een groot verantwoordelijkheidsgevoel en loyaliteitsgevoel richting zijn familie. Ten tijde van het feit heeft de verdachte zich laten leiden door emotie (boosheid), over het onrecht dat zijn schoonvader is aangedaan en dat onrecht lijkt de trigger te zijn geweest voor de onderhavige feiten. Hij beschikte destijds niet over de juiste coping- en oplossingsvaardigheden. De voorlopige hechtenis van de verdachte werd geschorst en hij werd onder toezicht gesteld bij de reclassering en aangemeld bij de Rooyse Wissel. Het psychosociaal functioneren werd onderzocht en vooralsnog geclassificeerd als een ongespecificeerde depressieve-stemmingsstoornis. Daarnaast is er sprake van acting-out gedrag, dat vooralsnog wordt samengevat als een ongespecificeerde disruptieve, impulsbeheersing- of andere gedragsstoornis. Er werd een behandelplan opgesteld. Hoewel het verplichte kader en de duur van de behandeling weerstand opriep bij de verdachte heeft hij zich meewerkend en open opgesteld. De verdachte geeft aan open te staan voor behandeling. Het laag tot gemiddeld recidiverisico is blijvend aanwezig. Het voortzetten van het toezicht en het ambulante behandeltraject achten zij geïndiceerd. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer.
De rechtbank komt tot oplegging van een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, vanwege de partiële vrijspraak van het onderdeel medeplegen van feit 1, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de bijzondere achtergrond van deze zaak. De rechtbank wil immers zijn ogen niet sluiten voor de betrokkenheid van [benadeelde] bij de overval van de schoonvader van de verdachte (waarvoor hij ook is veroordeeld) en dat die overval de aanleiding is geweest voor onderhavig feit. Alhoewel niemand voor eigen rechter mag spelen en de verdachte de politie had moeten bellen toen hij [benadeelde] gelokaliseerd had, weegt de rechtbank ook deze omstandigheden wel in strafverminderende zin mee.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat in deze specifieke zaak het opleggen van een lange (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis indien de verdachte deze niet of niet naar behoren verricht, met aftrek van het voorarrest passend. Daarnaast zal zij aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden opleggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 3.198,88 ter zake de feiten 1, 2 en 3. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
eigen risico: € 198,88
immateriële schade: € 3.000,-
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van post a. en toewijzing van post b. De officier van justitie vordert dat de verdachte hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van de schade, waarbij ook de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht moeten worden opgelegd.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade rekening te houden met de uitzonderlijke context van de zaak en de mate waarin de gestelde psychische klachten in verband staan met het bewezenverklaarde feit.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde onder de feiten 1, 2 en 3 rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt.
Materiële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van post a. niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b Burgerlijk Pro Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Van het laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Wel staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van
€ 350,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 55, 57, 285, 317 Wetboek van Strafrecht van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
  • stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
de veroordeelde werkt mee aan ambulante behandeling bij de Rooyse Wissel Ambulant Behandelen. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
de veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
  • geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
  • veroordeelt de verdachte voor feit 1, feit 2 en feit 3 tot een
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel (feiten 1, 2 en 3)
  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de
  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor zover deze ziet op de materiële schade
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde] , van een bedrag van € 350,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2024;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van
  • de verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mestrom, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en mr. A.K. Kleine, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.H.M. Meisen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 juli 2026.
Buiten staat
Mr. Kessels en mr. Kleine zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I:De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 29 oktober 2024 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [benadeelde] te dwingen tot de afgifte van een bedrag van ongeveer 5600 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde] en/of een derde toebehoorde(n), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)
- zich heeft begeven naar het appartementencomplex van die [benadeelde] ,
- ( vervolgens) het appartementencomplex van die [benadeelde] is binnengedrongen,
- ( vervolgens) die [benadeelde] een kopstoot heeft gegeven,
- ( vervolgens) een ander persoon uit het pand heeft verwijderd,
- ( vervolgens) die [benadeelde] ertoe heeft gezet om de voordeur van zijn appartement te openen,
- ( vervolgens) die [benadeelde] de toegang tot andere ruimtes heeft ontzegd en/of
- ( vervolgens) in de woning van die [benadeelde] meermalen aan die [benadeelde] heeft gevraagd om over te gaan tot afgifte van het geldbedrag en hierbij meerdere malen heeft geroepen tegen die [benadeelde] dat hem iets wordt aangedaan en/of dat de woning van die [benadeelde] wordt afgebroken indien die [benadeelde] niet overgaat tot afgifte van het geldbedrag,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 29 oktober 2024 in de gemeente Roermond [benadeelde] heeft mishandeld, door die [benadeelde] een kopstoot te geven;
3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2024 tot en met 10 november 2024 in de gemeente Roermond, althans in Nederland [benadeelde] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [benadeelde] (middels een of meer whatsappbericht(en)) dreigend de woorden toe te voegen:
- " Heb je geld??? Die spullen regel ik verder... 5600 zijn weg gekomen die komen terug maakt me niet uit hoe je het gaat doen maar je regelt het. Dan zijn we uit gepraat.. je kan beter hopen dat de politie je eerder gaat vinden" en/of
- " Ik pak je toch vluchten heeft geen zin.. beter zorg je dat geld terug komt voor ik je heb! Je komt hier niet mee weg vriend want ik slag je af in je eigen huis",
althans woorden en/of gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer LB1R024116-35, gesloten d.d. 25 juni 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 203.
2.De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 juli 2026.
3.Proces-verbaal van aangifte [benadeelde] d.d. 14 november 2026, pg. 16-19.
4.Een geschrift, te weten de medische informatie over [benadeelde] van de Forensische Dienst Limburg opgemaakt door [naam] d.d. 18 april 2025, pg. 37.
5.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 november 2024, pg. 30.
6.De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 14 juli 2026.
7.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2025, pg. 124-125.