Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De vordering van de officier van justitie
€ 349.533,27. Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten dan de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld. Er zouden voldoende aanwijzingen bestaan dat deze andere feiten door [verdachte] zijn begaan.
3.De beoordeling
€ 5.466,50 aan de netbeheerder en een bedrag van € 2.744,45 aan het waterbedrijf moeten betalen. Volgens de raadsvrouw heeft [verdachte] daarom slechts een netto voordeel van € 539,05 overgehouden aan de hennepkwekerij (€ 8.750,00 - € 5.466,50 - € 2.744,45). De vordering dient tot dit bedrag gematigd te worden.
4.Het wettelijke voorschrift
5.De beslissing
- stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
- legt [verdachte] de verplichting op tot
- bepaalt de duur van de
mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 januari 2026.