ECLI:NL:RBLIM:2026:803

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
C/03/347948 / HA RK 25-208
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • Van Leeuwen
  • Derks
  • Aalderink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 275 SvArt. 276 lid 2 SvArt. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek rechter wegens voortzetting zitting zonder tolk ongegrond verklaard

Op 11 december 2025 werd de vordering tot verlenging van de gevangenhouding van de verzoekende partij behandeld in de raadkamer van de rechtbank Limburg. De verzoekende partij spreekt geen Nederlands en er was telefonisch een beëdigde Roemeense tolk aanwezig. Tijdens de zitting merkte de advocaat van de verzoekende partij op dat de tolk onjuist vertaalde, waarna de rechter de verbinding met de tolk verbrak. De advocaat weigerde vervolgens de pleitnotitie te vertalen voor zijn cliënt, waarna de rechter de zitting voortzette zonder tolk.

De verzoekende partij diende daarop een wrakingsverzoek in tegen de rechter, stellende dat het voortzetten van de zitting zonder tolk in strijd was met artikel 6 EVRM Pro en artikel 275 Sv Pro, en dat hierdoor de indruk van partijdigheid ontstond. Tevens werd aangevoerd dat de behandeling aangehouden had kunnen worden om een beëdigde tolk fysiek aanwezig te laten zijn.

De wrakingskamer oordeelde dat de beslissing van de rechter een procesbeslissing is, die op grond van vaste rechtspraak geen grond voor wraking kan vormen. De motivering van de rechter was objectief en niet als uiting van vooringenomenheid te begrijpen. De vrees voor partijdigheid was daarom niet objectief gerechtvaardigd.

De wrakingskamer verklaarde het wrakingsverzoek ongegrond en vervolgde de behandeling van de vordering tot verlenging van de voorlopige hechtenis zonder tolk. De beslissing werd op 29 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wegens voortzetting van de zitting zonder tolk is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer C/03/347948 / HA RK 25-208
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van:
[verzoekende partij],
verzoekende partij,
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
advocaat: mr. P.D. Popescu,
dat strekt tot wraking van mr. Bosma, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 11 december 2025, waarin het wrakingsverzoek is opgenomen,
- de brief van 11 december 2025 van de advocaat van [verzoekende partij] ,
- de reactie van de rechter,
- de mondelinge behandeling van 15 januari 2026, waarbij enkel de advocaat van [verzoekende partij] is verschenen,
- de spreekaantekeningen van de advocaat van [verzoekende partij] .
1.2.
De beslissing is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op 11 december 2025 is de vordering van de verlenging van de gevangenhouding van [verzoekende partij] (zaak met parketnummer 03-291273-25) door de rechter behandeld in de raadkamer.
2.2.
[verzoekende partij] is geboren in Roemenië en zij spreekt en verstaat de Nederlandse taal niet.
Voor [verzoekende partij] is daarom in de raadkamer telefonisch een tolk in de Roemeense taal aanwezig, die de bij de wet voorgeschreven belofte heeft afgelegd en als tolk in deze taal optreedt.
2.3.
De advocaat van [verzoekende partij] heeft tijdens de zitting opgemerkt dat de tolk iets vertaalt, dat hij niet gezegd heeft. Op de daarop volgende vraag van de rechter over de kwaliteit van de vertaling van de tolk, heeft de advocaat van [verzoekende partij] geantwoord dat hij de de tolk onvoldoende capabel acht. De rechter heeft de tolk hiervan mededeling gedaan. De rechter heeft verder aangegeven dat hij de indruk heeft dat het vertolken op zijn minst erg moeilijk gaat.
2.4.
De rechter heeft daarop de telefonische verbinding met de tolk verbroken.
2.5.
De rechter heeft vervolgens aan de advocaat van [verzoekende partij] gevraagd of hij zijn pleitnotitie in het Nederlands wil voordragen en na de raadkamer hetgeen is gezegd in het Roemeens wil vertalen aan [verzoekende partij] , omdat de advocaat van [verzoekende partij] de Roemeense taal spreekt.
2.6.
De advocaat van [verzoekende partij] heeft aangegeven dat het niet zijn taak is om zijn voordracht te vertalen aan [verzoekende partij] . De rechter heeft aangegeven dat dat juist is, maar dat er geen Roemeense tolk ter zitting aanwezig is. Ook heeft de rechter aangegeven dat er wel een beslissing genomen dient te worden op het mogelijk voortduren van de voorlopige hechtenis omdat de huidige termijn expireert.
2.7.
De advocaat van [verzoekende partij] heeft vervolgens de rechter gewraakt.

3.Het wrakingsverzoek

3.1.
[verzoekende partij] heeft aan het wrakingsverzoek (samengevat en voor zover hier van belang) het volgende ten grondslag gelegd: de voortzetting van de zitting in raadkamer zonder bijstand van een tolk is in strijd met artikel 6 EVRM Pro in verband met artikel 275 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Door verder te willen gaan met de zitting zonder tolk heeft [verzoekende partij] de indruk gekregen dat de rechter partijdig is, omdat hoor en wederhoor als elementair rechtsbeginsel wordt genegeerd. De rechter is niet geïnteresseerd in wat [verzoekende partij] te zeggen heeft en neemt genoegen met de vordering tot verlenging van het Openbaar Ministerie. [verzoekende partij] kan het niet begrijpen, geen verzoeken doen en geen reactie geven. Verder is het, op grond van artikel 276 lid 2 Sv Pro, de raadsman verboden te tolken voor zijn cliënt. De rechter had het ook anders kunnen doen, namelijk de behandeling van de vordering aanhouden en deze op een latere datum plannen. Tot die tijd kon het Openbaar Ministerie alsnog een beëdigde tolk oproepen die fysiek bijstand kon verlenen aan [verzoekende partij] in haar hoedanigheid van verdachte. Er was nog tijd hiervoor tot 17 december 2025 omdat de gevangenhouding pas begint te lopen na afloop van de inbewaringstelling.
3.2.
De rechter berust niet in de wraking.

4.De beoordeling

4.1.
Artikel 512 Sv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
4.3.
De wrakingskamer stelt voorop dat de beslissing van de rechter geen grond vormt voor wraking. De beslissing om de behandeling van de vordering tot verlenging van de gevangenhouding voort te zetten zonder bijstand van een tolk, moet worden aangemerkt als een procesbeslissing. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad [1] blijkt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een grond kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is.
4.4.
Ook voor de motivering van de procesbeslissing geldt in het algemeen dat dit geen grond is voor wraking. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle
omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan
worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid.
De rechter heeft zijn beslissing gemotiveerd. Daarna heeft de advocaat van [verzoekende partij] hem gewraakt.
In het proces-verbaal is als motivering van de rechter opgenomen:
“Verder dient er vandaag wel een beslissing genomen te worden op het mogelijk voortduren van de voorlopige hechtenis omdat de huidige termijn expireert.”
4.5.
Deze motivering van de rechter kan door de wrakingskamer - in het licht van alle omstandigheden van het geval [2] en naar objectieve maatstaven gemeten -
nietworden begrepen als een uiting van vooringenomenheid.
4.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de wrakingskamer het wrakingsverzoek dan ook ongegrond verklaren.

5.De beslissing

De wrakingskamer:
verklaart het wrakingsverzoek ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leeuwen, voorzitter, mr. Derks en mr. Aalderink, rechters, bijgestaan door mr. Ouarani, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.

Voetnoten

1.Zie onder meer Hoge Raad 25 september 2028, ECLI:NL:HR:2018:1413
2.waaronder de stelling van de advocaat van [verzoekende partij] dat de behandeling van de zaak aangehouden kon worden en deze op een latere datum ingepland had kunnen worden en wel vóór 17 december 2025.