Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
2.De feiten
3.Het wrakingsverzoek
4.De beoordeling
nietworden begrepen als een uiting van vooringenomenheid.
Rechtbank Limburg
Op 11 december 2025 werd de vordering tot verlenging van de gevangenhouding van de verzoekende partij behandeld in de raadkamer van de rechtbank Limburg. De verzoekende partij spreekt geen Nederlands en er was telefonisch een beëdigde Roemeense tolk aanwezig. Tijdens de zitting merkte de advocaat van de verzoekende partij op dat de tolk onjuist vertaalde, waarna de rechter de verbinding met de tolk verbrak. De advocaat weigerde vervolgens de pleitnotitie te vertalen voor zijn cliënt, waarna de rechter de zitting voortzette zonder tolk.
De verzoekende partij diende daarop een wrakingsverzoek in tegen de rechter, stellende dat het voortzetten van de zitting zonder tolk in strijd was met artikel 6 EVRM Pro en artikel 275 Sv Pro, en dat hierdoor de indruk van partijdigheid ontstond. Tevens werd aangevoerd dat de behandeling aangehouden had kunnen worden om een beëdigde tolk fysiek aanwezig te laten zijn.
De wrakingskamer oordeelde dat de beslissing van de rechter een procesbeslissing is, die op grond van vaste rechtspraak geen grond voor wraking kan vormen. De motivering van de rechter was objectief en niet als uiting van vooringenomenheid te begrijpen. De vrees voor partijdigheid was daarom niet objectief gerechtvaardigd.
De wrakingskamer verklaarde het wrakingsverzoek ongegrond en vervolgde de behandeling van de vordering tot verlenging van de voorlopige hechtenis zonder tolk. De beslissing werd op 29 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wegens voortzetting van de zitting zonder tolk is ongegrond verklaard.