ECLI:NL:RBLIM:2026:805

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
03.235241.22
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal van een Porsche Carrera Cabrio en vrijspraak van andere diefstallen

Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Limburg in Maastricht uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van diefstal van een Porsche Carrera Cabrio en andere voertuigen. De verdachte, geboren in 1992, werd bijgestaan door advocaat mr. L. van Tiggelen. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 13 januari 2026, waarbij de verdachte en zijn raadsvrouw aanwezig waren. De officier van justitie eiste bewezenverklaring van de diefstal van de Porsche, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte, stellende dat er onvoldoende bewijs was voor betrokkenheid bij de diefstallen.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet bewezen kon worden dat hij betrokken was bij de diefstal van de Piaggio Vespa Primavera en de Porsche 911, en sprak hem vrij van deze feiten. Echter, de rechtbank achtte de diefstal van de Porsche Carrera Cabrio wel bewezen. De verdachte had de auto op 22 mei 2022 in Monschau gestolen en deze in een garagebox in Kerkrade gestald. De rechtbank baseerde haar oordeel op getuigenverklaringen en camerabeelden die de verdachte in de nabijheid van de gestolen auto toonden.

De rechtbank legde de verdachte een gevangenisstraf op van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar. Daarnaast werd de verdachte verplicht zich te houden aan een meldplicht bij de reclassering. De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verdachte vrijgesproken werd van de feiten die aan de vordering ten grondslag lagen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank, bestaande uit drie rechters.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.235241.22
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2026
in de strafzaak tegen
[Naam verdachte] ,
geboren te [Geboorteplaats verdachte] op [Geboortedatum verdachte] 1992,
wonende te [Adres verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. L. van Tiggelen, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 januari 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[Benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
Deze zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaak tegen [Medeverdachte]
(parketnummer 03.235209.22).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1:samen met (een) ander(en) een Piaggo Vespa Primavera met kenteken [Kenteken 1] van [Benadeelde 1] heeft gestolen door middel van braak en/of verbreking, dan wel deze Piaggo heeft geheeld.
Feit 2:samen met (een) ander(en) een Porsche Carrera Cabrio heeft gestolen door middel van braak en/of verbreking, dan wel deze Porsche heeft geheeld.
Feit 3:een Porsche 911 met kenteken [Kenteken 2] heeft gestolen door middel van braak en/of verbreking, dan wel deze Porsche heeft geheeld.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 2 primair. De verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. De verdediging is van oordeel dat steeds onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om betrokkenheid bij de diefstallen vast te stellen. Tevens is de verdediging van oordeel dat steeds niet valt vast te stellen dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de voertuigen van misdrijf afkomstig waren.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Vrijspraak feit 1 (primair en subsidiair)
De rechtbank acht, in tegenstelling tot de officier van justitie, het primair én subsidiair ten laste gelegde niet bewezen.
Vast staat dat de bewuste bromfiets op 4 oktober 2022, rond 3.00 uur, in Vaals door medeverdachte [Medeverdachte] is gestolen en daar is ‘koudgezet’, en dat de verdachte op 4 oktober 2022 om 17.03 uur in Vaals op de bromfiets stapte en daarmee naar de garageboxen aan de [Adres garagebox] in Brunssum reed. De verdachte heeft verklaard dat hij de bromfiets heeft opgehaald in Vaals als vriendendienst voor [Medeverdachte] , dat hij niet wist dat de bromfiets gestolen was en dat hij ook geen aanleiding had om dat te vermoeden.
De rechtbank overweegt allereerst dat niet is komen vast te staan dat de verdachte wist van de diefstal door [Medeverdachte] , laat staan dat hij daarbij aanwezig was of (anderszins) betrokken was; het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden daarvoor geen enkel aanknopingspunt, zodat de verdachte van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.
Naar het oordeel van de rechtbank is er ook onvoldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring van heling te komen. De verdachte heeft verklaard dat hij van [Medeverdachte] een sleutel heeft gekregen waarmee hij de bromfiets heeft gestart. In het dossier wordt gerelateerd over een verbroken contactslot, maar dit is niet op foto’s vastgelegd en er is ook geen specifiekere beschrijving van. Het is daarom niet na te gaan wat de staat van (het slot van) de bromfiets was en of de verdachte aan (dat slot van) de bromfiets had moeten zien dat daarmee iets mis was. De observerende verbalisanten hebben tot slot geen bijzonderheden gerelateerd over de wijze van het starten van de bromfiets door de verdachte. Er kan dus niet worden vastgesteld dat de verdachte wist of dat er omstandigheden aanwezig waren waardoor hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bromfiets van misdrijf afkomstig was, zodat de verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.
Vrijspraak feit 3 (primair en subsidiair)
De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging het primair én subsidiair tenlastegelegde niet bewezen.
Bewezenverklaring feit 2 (primair)
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Bewijsmiddelen
Een geschrift, zijnde een origineel proces-verbaal van bevindingen (
Protokoll) van de
politie Noordrijn-Westfalen Oberhausen (Duitsland), opgemaakt in de Duitse taal door [Duitse verbalisant] op
22 mei 2022,voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - dat op 22 mei 2022 [Eigenaar Porsche] met zijn grijze Porsche 911 (kenteken: [Kenteken 3] ) naar Monschau is gereden. Op 22 mei 2022, rond 15:10 uur, parkeerde hij zijn auto op een openbare parkeerplaats aan Burgau 15 in 52156 Monschau. De auto stond op het eerste parkeerdek in het midden. De parkeerplaats was niet voorzien van slagbomen. Toen [Eigenaar Porsche] op 22 mei 2022 rond 17:10 uur terugkeerde naar de parkeerplaats, viel het hem op dat zijn auto weg was. De auto was op slot en het cabriodak van zijn auto was ook gesloten. [2]
In het
proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2022staat het volgende gerelateerd [3] :
Op 22 mei 2022 kregen wij, verbalisanten [Verbalisant 1] , [Verbalisant 2] en [Verbalisant 3] , het verzoek van de dienstdoende centralist van het operationeel centrum van politie te Maastricht te rijden naar de [Adres garagebox 2] te Kerkrade. Aldaar had melder [Getuige] gezien, dat er een zilverkleurige Porsche Carrera cabriolet, voorzien van een onbekend Duits kenteken in één van de aldaar gelegen garageboxen werd gestald. [Getuige] deelde mij, [Verbalisant 1] , desgevraagd mede dat:
- er heden, 22 mei 2022, tussen 16.00 en 16.30 uur een grijze Porsche Carrera cabriolet voorzien van een vooralsnog onbekend gebleven Duits kenteken richting de garageboxen [Adres garagebox 2] was gereden;
- er één manspersoon in deze Porsche zat én deze dus als bestuurder optrad;
- de Porsche vanaf de Pricksteenweg de [Adres garagebox 2] was ingereden;
- de bestuurder van de Porsche een blanke blonde man van circa 30 jaar oud met een
smal postuur betrof;
- de Porsche vervolgens in de derde, gezien vanaf de [Adres garagebox 2] , aan de
rechterzijde gelegen garagebox werd gestald;
- er direct hierna een dure zwarte BMW cabriolet voorzien van een onbekend gebleven
Nederlands kenteken richting de ingang van de desbetreffende garageboxen reed;
- de bestuurder van de Porsche als bijrijder in de zwarte BMW stapte;
- de BMW in onbekende richting uit het zicht verdween.
[Getuige] deelde mij verder mede dat alles op beeldmateriaal zou staan en dit beeld-materiaal beschikbaar zal stellen aan de politie.
In het
proces-verbaal van bevindingen van 30 mei 2022staat het volgende – zakelijk weergegeven - gerelateerd [4] :
De beelden zijn 28 mei 2022 verstrekt door getuige [Getuige] . Ik, verbalisant [Verbalisant 4] , zag linksboven in beeld de volgende dag-datum tijdindicatie: 2022-05-22 16.19.29.
Ik zag een personenauto merk Porsche in beeld aan komen rijden. Ik zag dat het een cabrio betrof en een rood interieur had. Ik zag één persoon in de Porsche zitten. Ik zag dat de Porsche een witte kentekenplaat had met zwarte letters. De auto op de beelden komt visueel overeen met de inbeslaggenomen Porsche. Ik zag direct achter de Porsche een donkerkleurige cabriolet rijden. Later bleek dit een auto te zijn van het merk Mercedes-Benz. Ik zag dat de bestuurder van de Porsche voor een hekwerk stopt, uitstapt en naar het hekwerk loopt om deze open te maken. Ik kan deze persoon als volgt omschrijven: man, blank, geheel in donker gekleed en lichter haar dan bestuurder Mercedes-Benz.
Op tijdsindicatie 2022-05-22 16.22:05 zag ik de donkerkleurige cabrio weer door het geopend hekwerk rijden. Ik zag dat hij nu terug kwam gereden. Zie ook bijlage 5 en 6 van dit proces-verbaal. Ik zag dat de camera inzoomde op de kentekenplaat. Ik zag dat het een gele plaat betrof met een volgende letter-cijfercombinatie: [Kenteken 4] . Ik zag dat de kentekenplaat beginnend was met de letter "K". Ik zag dat de Mercedes-Benz stopte en dat de camera uitzoomt. Ik zag dat de eerder genoemde bestuurder van de Porsche het hekwerk kennelijk afsluit en naar de Mercedes-Benz loopt en instapt. De Mercedes-Benz rijdt vervolgens weg.
Naar aanleiding van bovenstaande bevindingen heb ik een onderzoek ingesteld in de voor mij beschikbare politiesystemen. Ik zag dat op 22 mei 2022 tussen 17:00 uur en 18:00 uur [Naam verdachte] en [Medeverdachte] door collega [Verbalisant 5] waren gecontroleerd in Vaals, rijdend in een zwarte Mercedes-Benz, E350 GDI, Nederlands kenteken [kenteken 5] . Zie ook bijlage 10, 11 en 12, waarin een soortgelijke auto op Marktplaats.nl staat afgebeeld.
Via Google Maps zag ik dat de snelste route van de [Verbalisant 1] naar Vaalsbroek ongeveer 20 minuten zou bedragen.
Monschau is gelegen in Duitsland. Via google maps zag ik dat de snelste route tussen de plaats van wegnemen en de plek van aantreffen 50,8 kilometer was en gemiddeld ongeveer 50 minuten zou bedragen.
In het
proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2022staat het volgende gerelateerd [5] :
Op 23 mei 2022 te 00:01 uur stelden wij, verbalisanten [Verbalisant 2] , [Verbalisant 1] en [Verbalisant 3] , een nader onderzoek in een garagebox gelegen aan de [Adres garagebox 2] te Kerkrade. Wij zagen in de garagebox met nummer [Nummer garagebox] dat:
- in deze garagebox een grijs/rode Porsche cabrio stond;
- de carrosserie van deze Porsche grijs van kleur was; de bekleding c.q. "binnenzijde" was rood van kleur;
- de Porsche zowel aan de voor- als achterzijde geen kentekenplaat voerde.
- op rechtsonder op de voorruit een groene zogenaamde Duitse "milieu-sticker" zat; hierin stond het kenteken [Kenteken 3] vermeld;
- het dak van de Porsche "weggeklapt" was;
- het contactslot verwijderd was.
We spraken ter plaatse met de door ons ontboden verhuurder van de garageboxen, de [Verhuurder garageboxen] . Hij deelde ons desgevraagd mede dat de garagebox [Nummer garagebox] vanaf 23 november 2017 wordt gehuurd door [Naam verdachte] , geboren op [Geboortedatum verdachte] 1992 te [Geboorteplaats verdachte] . [Verhuurder garageboxen] stelde ons afschriften van het huurcontract ter beschikking.
Een geschrift
, te weten de informatiestaat SKDB-persoon van de verdachte van 19 oktober 2022 [6] met daarin een foto van de verdachte.
Bewijsoverweging
Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat op 22 mei 2022 tussen 15:10 en 17:10 uur een Porsche, type Carrera Cabrio, is gestolen in Monschau. Op 23 mei 2022 wordt de Porsche aangetroffen in een garagebox aan de [Adres garagebox 2] te Kerkrade. Door [Getuige] wordt verklaard en op camerabeelden is te zien dat een blanke man met blond haar van circa 30 jaar oud en een smal postuur de Porsche in de betreffende garagebox stalt, en wel op 22 mei 2022 rond 16.20 uur. Hij stapt hierna als bijrijder in een andere auto en rijdt weg.
Allereerst is van belang dat het signalement van degene die de Porsche stalt, naar het oordeel van de rechtbank overeenkomt met het uiterlijk van de verdachte zoals te zien is op de informatiestaat SKDB van 19 oktober 2022. Tevens staat vast dat de verdachte de huurder was van de garagebox waarin de Porsche is aangetroffen. Daarnaast zijn de verdachte en [Medeverdachte] op 22 mei 2022 tussen 17:00 uur en 18:00 uur gecontroleerd in Vaalsbroek. Zij reden toen in een soortgelijke Mercedes-Benz als die rond het moment van stallen van de Porsche in de garagebox op de camerabeelden is te zien, en waarmee de bestuurder en degene die de Porsche had gestald vervolgens wegreden. De kleur, het type en het kenteken kwam in de letter-cijfercombinatie overeen, alsmede de eerste letter daarvan. Tot slot geldt dat de afstand tussen de garagebox in Kerkrade en Vaalsbroek eenvoudig is te overbruggen tussen 16.20 uur en 17.00 uur. Deze omstandigheden in samenhang bezien, maken dat de rechtbank vaststelt dat het verdachte is die de Porsche in de garagebox heeft gestald. De verklaringen van de verdachte, inhoudende dat hij niets van de aanwezigheid van de Porsche in zijn box wist en dat hij die box ook onderverhuurde, brengen de rechtbank niet tot een andere conclusie, alleen al omdat zij geen handen en voeten hebben gekregen en niet verifieerbaar zijn.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het de verdachte is geweest die de Porsche heeft ontvreemd. De diefstal is in Monschau gepleegd tussen 15.10 uur en 17.10, terwijl het ongeveer 50 minuten kost om van Monschau naar de garagebox in Kerkrade te rijden en de Porsche daar om 16.19 uur arriveert. Gezien deze korte tijdspanne tussen de diefstal en het stallen van de Porsche door de verdachte, kan het – behoudens contra-indicaties, die ontbreken – in redelijkheid niet anders zijn dan dat het de verdachte is geweest die de Porsche heeft gestolen.
De rechtbank zal de verdachte wel vrijspreken van het medeplegen van de diefstal, omdat niet kan worden vastgesteld wat de eventuele juridisch relevante rol van de bestuurder van de Mercedes-Benz is geweest.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 2 primair
op 22 mei 2022 te Monschau een personenauto (Porsche, type Carrera Cabrio) die aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert het volgende strafbare feit op:
Feit 2 primair
diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld een meldplicht als bijzondere voorwaarde. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een geldboete van € 12.200,- op te leggen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daarnaast heeft de verdediging verzocht bij de bepaling van de straf rekening te houden met de grote, stabiele verandering in het leven van de verdachte en het tijdverloop.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met verbreking van een klassieke Porsche en hiermee financiële schade en overlast veroorzaakt voor de aangever. Bovendien heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen en eigendommen. Dat laatste blijkt ook uit het 11 pagina’s tellende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 11 december 2025 betreffende de verdachte: de verdachte is vele malen eerder met politie en justitie in aanraking geweest en diverse malen veroordeeld tot gevangenisstraffen voor het plegen van vermogensdelicten. Overduidelijk heeft de verdachte uit de eerder opgelegde straffen geen lering getrokken.
De rechtbank heeft verder gekeken naar het reclasseringsrapport betreffende de verdachte van 29 december 2025. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde een meldplicht. De reclassering acht dit nodig om nog enige tijd een vinger aan de pols te kunnen houden en vervolgstappen op het gebied van huisvesting en werk te monitoren.
De rechtbank neemt als uitgangspunt de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. In geval van recidive geldt als uitgangspunt dat aan de verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van drie maanden.
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie, gelet op het voorgaande, in zijn eis de enig passende strafmodaliteit heeft gekozen, te weten een gevangenisstraf. Ook de omvang daarvan, drie maanden, acht de rechtbank passend. Wel zal zij een groter deel van die straf in voorwaardelijke zin opleggen. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op het grote tijdsverloop sinds de datum van het plegen van het feit, op de ruime overschrijding van de redelijke termijn als bedoel in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, te weten 15 maanden, en de positieve ontwikkeling die de verdachte doormaakt.
De naast de gevangenisstraf door de officier van justitie gevorderde geldboete zal de rechtbank niet opleggen. Kennelijk is de eis (mede) ingegeven door de waarde van een bij de verdachte in beslag genomen voertuig (niet zijnde de betreffende Porsche) en ter onderbouwing van zijn eis heeft de officier van justitie gewezen op het financiële voordeel dat met feiten als de ten laste gelegde wordt behaald. Feit is evenwel dat de verdachte met het bewezen verklaarde geen financieel voordeel heeft behaald. De rechtbank is voorts van oordeel dat een straf niet behoort af te hangen van hetgeen “toevallig” bij een verdachte in beslag is genomen.
Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Gedurende die proeftijd dient de verdachte zich te houden aan een meldplicht. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, dient op de gevangenisstraf in mindering te worden gebracht.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [Benadeelde 1] een schadevergoeding van € 465,-, bestaande uit materiële schade ter zake van feit 1 en verzoekt om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de vordering van [Benadeelde 1] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze dient te worden toegewezen tot het bedrag van € 230,-, bestaande uit de kosten voor de slotenset en de montage ervan, de slotplaat van het buddyslot en een nieuwe kentekenplaat inclusief de montage ervan. Ten aanzien van het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen gelet op de bepleite vrijspraak.
Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat de verdachte niet de steler is van de bromfiets en de machtiging niet deugdelijk is overgelegd. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie, de vordering dient te worden toegewezen tot het bedrag van € 230,-; ten aanzien van het overige dient de benadeelde partij dan niet-ontvankelijk te worden verklaard.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvan de verdachte zal worden vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van de onder 1 (primair en subsidiair) en 3 (primair en subsidiair) ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
  • verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar;
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 1 jaar zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
  • stelt de volgende bijzondere voorwaarde, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
Meldplicht bij reclassering
De veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
  • geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Benadeelde partij ( [Benadeelde 1] )
  • bepaalt dat de benadeelde partij [Benadeelde 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
  • veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. el Jerrari, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R.C. Custers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 januari 2026.BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
Feit 1
hij in of omstreeks de periode vanaf 3 oktober 2022 tot en met 5 oktober 2022 in de gemeente(n) Vaals en/ of Brunssum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een bromfiets (Piaggio Vespa Primavera) met kenteken [Kenteken 1] , in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander of anderen toebehoorden(n), te weten aan [Benadeelde 1] in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/ of die weg te nemen bromfiets onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode vanaf 3 oktober 2022 tot en met 5 oktober 2022 in de gemeente(n) Vaals en/of Brunssum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een bromfiets (Piaggio Vespa Primavera) met kenteken [Kenteken 1] , heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
Feit 2
hij op of omstreeks 22 mei 2022 te Kerkrade en/of Monschau, in elk geval in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een personenauto (Porsche, type Carrera Cabrio), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij of omstreeks 22 mei 2022 te Kerkrade en/of Monschau, in elk geval in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een personenauto (Porsche, type Carrera Cabrio), heeft/hebben verworven en/ of voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
Feit 3
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 3 juli 2020 tot en met 8 juli 2020 te Kerkrade en/of Aken, in elk geval in Nederland en/of Duitsland, een personenauto (Porsche, 911) met kenteken [Kenteken 2] , in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aaeen ander of anderen dan aan verdachte toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 3 juli 2020 tot en met 8 juli 2020 te Kerkrade en/of Aken, in elk geval in Nederland en/of Duitsland, een personenauto (Porsche, 911) met kenteken [Kenteken 2] , heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door diefstal, in elk geval een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LB2R022060-107, gesloten op 23 januari 2023, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 670.
2.Een geschrift, zijnde een origineel proces-verbaal van bevindingen (Protokoll) van de politie Noordrijn-Westfalen Oberhausen (Duitsland), opgemaakt in de Duitse taal door [Duitse verbalisant] op 22 mei 2022, pagina 84 tot en met 90.
3.Het proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2022, pagina 34 tot en met 36.
4.Het proces-verbaal van bevindingen van 30 mei 2022, pagina 65 tot en met 80.
5.Het proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2022, pagina 37 tot en met 42.
6.Een geschrift, te weten de informatiestaat SKDB-persoon van de verdachte van 19 oktober 2022, pagina 564.