Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[eisende partij 1] ,
2.
[eisende partij 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
23 september 2025 wordt toegevoegd aan het dossier.
2.De feiten
[bedrijf] de kanalen omgewisseld, omdat deze verkeerd op de WTW-unit waren aangesloten. In juli 2023 heeft IS Zuid een controle uitgevoerd en op 28 juli 2023 heeft zij de standleiding opengemaakt om te controleren of deze vrij was. In september 2023 heeft
IS Zuid een binnenbeluchter op de standleiding geplaatst en in oktober 2023 heeft
[bedrijf] het WTW-systeem opnieuw ingeregeld.
28 februari 2024 op het standpunt gesteld dat de rioolontluchting opnieuw dient te worden aangesloten conform de eerder gerealiseerde aansluiting. Daarbij heef zij vermeld dat diverse monteurs op locatie zijn geweest en zij allen geen overlast hebben gehad van rioollucht tijdens de werkzaamheden. Zonder honderd procent zeker te zijn van de oorzaak wil zij daarom niet meer overgaan tot grote aanpassingen.
3.Het geschil
€ 50.000,-, en met veroordeling van [gedaagde partij] in de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
4.De beoordeling
ontbreken dakontluchting
nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisende partijen] gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde partij] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?
een met het hart op het ontstoppingsstuk bij uitkomst gevel, en een vanaf de onderste bocht naar de daling in niveau naar de perceelaansluiting”. Deze dienen te worden hersteld, aldus RRS.
- Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?
- Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?
- Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?
- de wenselijkheid van een deskundigenbericht;
- het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n);
- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen (zie rov. 4.9, 4.12, 4.15, 4.18, 4.21, 4.24 en 4.26)
- de hoogte van het voorschot van de deskundige.
5.De beslissing
woensdag 25 februari 2026om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht (zie rov. 4.25 en 4.29),