ECLI:NL:RBLIM:2026:937

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
ROE 25/3155
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:30 APV Heerlen 2021Art. 3:33 APV Heerlen 2021Art. 5:21 AwbArt. 10 GrondwetArt. 125 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens vermeende illegale seksinrichting

De burgemeester van Heerlen legde op 10 december 2025 een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de woning van verzoeker voor drie maanden wegens exploitatie van een illegale seksinrichting. Dit volgde op een proces-verbaal van 7 november 2025 waarin medewerkers van de Afdeling Vreemdelingen, Identiteit en Mensenhandel constateerden dat twee vrouwen seksuele diensten aanboden vanuit de woning.

Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 20 januari 2026 en oordeelde dat de burgemeester onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat verzoeker niet in de woning woont. De woning behoort tot de persoonlijke levenssfeer en sluiting vereist een wettelijke grondslag die hier niet aanwezig was.

De voorzieningenrechter gaf verzoeker het voordeel van de twijfel en schorstte het besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker. De uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening en staat geen hoger beroep toe.

Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de woning is geschorst wegens onvoldoende aannemelijkheid dat verzoeker niet in de woning woont.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/3155

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Heerlen, verzoeker

(gemachtigde: mr. M.F.E. Sprenkels),
en

de burgemeester van de gemeente Heerlen, de burgemeester

(gemachtigde: mr. K. Ubags).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het verzoek gaat over het besluit van de burgemeester van 10 december 2025. Met dat besluit legt de burgemeester een last onder bestuursdwang op, die inhoudt dat de door verzoeker gehuurde woning met ingang van 18 december 2025 wordt gesloten voor de duur van drie maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 10 december 2025 heeft de burgemeester de woning van verzoeker gesloten voor de duur van drie maanden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft de rechtbank in het e-mailbericht van 18 december 2025 laten weten dat met sluiting van de woning wordt gewacht totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker is huurder van de woning. Vincio Wonen is de eigenaar van de woning.
3.1.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2025 blijkt dat medewerkers van de Afdeling Vreemdelingen, Identiteit en Mensenhandel (AVIM) op 1 november 2025 de woning van verzoeker hebben betreden. Dit naar aanleiding van de aanhouding van twee Colombiaanse vrouwen voor winkeldiefstal op 31 oktober 2025. Deze vrouwen verklaarden dat zij in de woning verbleven en dat zij in de prostitutie werkzaam waren. De vrouwen zouden tegen betaling seksuele diensten aanbieden op de website Kinky.nl vanuit de woning. De vrouwen hebben verklaard klanten op het adres te hebben ontvangen. Zij verbleven met zijn tweeën op het adres en hadden ook een sleutel van de woning. Door de medewerkers van de AVIM is waargenomen dat er kleding van de vrouwen aanwezig was in de woning en dat de woning duidelijk gebruikt werd als seksinrichting. Dit bleek onder andere uit de aanwezigheid van seksuele attributen zoals dildo’s (ook op de eetkamertafel), glijmiddel en verschillende condooms. Tijdens het betreden van de woning was verzoeker niet aanwezig.
3.2.
Naar aanleiding van het proces-verbaal heeft de burgemeester op 19 november 2025 aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt om de woning van verzoeker te sluiten voor de duur van drie maanden omdat er sprake is van een seksinrichting. Dit volgt volgens de burgemeester uit het feit dat er tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden vanuit het adres van verzoeker en de verklaringen van de vrouwen. Ook zijn er meldingen waaruit blijkt dat er sprake is van een seksinrichting (kort weergegeven in het voornemen en het besluit van 10 december 2025).
3.3.
Op 26 november 2025 heeft verzoeker een zienswijze tegen het voornemen ingebracht. De burgemeester heeft vervolgens geen aanleiding gezien om van het voornemen af te wijken.
Wat zijn de toepasselijke regels?
4. Volgens artikel 3:30, onder d, van de Algemene Plaatselijke Verordening Heerlen 2021 (APV) wordt onder seksinrichting verstaan het in een inrichting/woning bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, aanbieden van seksuele handelingen. Uit artikel 3:33 van Pro de APV volgt dat het verboden is een seksinrichting te exploiteren zonder een daartoe afgegeven vergunning door het bevoegde bestuursorgaan. Op basis van het Sanctiebeleid (illegale) seksinrichtingen, escortbedrijven en thuisprostitutie Heerlen (het Sanctiebeleid) kan het bevoegde bestuursorgaan een last onder bestuursdwang opleggen inhoudende een sluiting voor de duur van drie maanden als in een woning sprake is van een seksinrichting zonder vergunning. Het kan daarbij gaan om een woning waar een hoofdbewoner staat ingeschreven maar uit de situatie ter plaatse blijkt dat die persoon er niet daadwerkelijk verblijft en de woning feitelijk enkel of in overwegende mate gebruikt wordt als seksinrichting.
Is de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
5. De last onder bestuursdwang is aan verzoeker opgelegd wegens overtreding van artikel 3:33 van Pro de APV. De burgemeester heeft artikel 5:21 van Pro de Awb aan de last onder bestuursdwang ten grondslag gelegd. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de burgemeester zijn sluitingsbevoegdheid op deze juridische grondslag kan baseren.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een woning die als zodanig in gebruik is, naar haar aard tot de persoonlijke levenssfeer van haar bewoner(s) behoort. Dat geldt ook indien de woning daarnaast nog een andere functie vervult. De sluiting van een dergelijke woning vormt een beperking van het in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet neergelegde recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Een beperking van dat recht is volgens de genoemde bepaling van de Grondwet slechts toegestaan als daarvoor een afdoende grondslag bestaat in een wet in formele zin. [1] Indien een woning als zodanig in gebruik is, van een de genoemde artikelen dat niet. Artikel 125 van Pro de Gemeentewet en hoofdstuk 5 van de Awb geven de burgemeester slechts een algemene bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang. [2] Artikel 174 van Pro de Gemeentewet biedt een bevoegdheid tot toezicht die ziet op voor het publiek openstaande gebouwen. Een woning die als woning wordt gebruikt is geen voor het publiek openstaand gebouw.
5.2.
Het voorgaande betekent dat de burgemeester de last onder bestuursdwang enkel op artikel 5:21 van Pro de Awb heeft kunnen baseren, indien de woning van verzoeker niet als woning wordt gebruikt. Het is aan de burgemeester om dat aannemelijk te maken. [3]
5.3.
In het bestreden besluit is door de burgemeester opgenomen dat verzoeker niet daadwerkelijk zelf in de woning verblijft. Dit naar aanleiding van het feit dat verzoeker tijdens het bezoek van de politie niet op het adres aanwezig was, de vrouwen de sleutels van de woning hadden, er enkel spullen van de vrouwen in de woning zijn aangetroffen, de verklaring van verzoeker bij de politie dat hij bij zijn vriendin verblijft en dat ook in de toekomst zal blijven doen, de verklaringen van de vrouwen dat zij daar enkel met zijn tweeën verbleven en gelet op meldingen vanaf juli 2025 waaruit blijkt dat verzoeker gedurende langere tijd niet op het adres verblijft. De burgemeester heeft ter zitting naar voren gebracht dat ook in het vonnis van 21 februari 2024 over de omgangsregeling staat dat verzoeker heeft aangegeven dat hij al geruime tijd bij zijn vriendin verblijft.
5.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester hiermee (vooralsnog) niet voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker geheel niet in de woning woont. Uit de verklaring die verzoeker zou hebben afgelegd bij de politie, kan de voorzieningenrechter niet opmaken of verzoeker zelf heeft gezegd dat hij niet of nooit in zijn woning verblijft. Het is ook onduidelijk in welke context hij heeft gezegd dat hij bij zijn vriendin woont en hier ook in de toekomst zal blijven wonen. De gemachtigde van de burgemeester heeft de verklaring van verzoeker ter zitting voorgelezen maar een stuk hiervan zit niet in het dossier. Het is verder niet inzichtelijk waarop de burgemeester de constatering baseert dat er alleen maar spullen van de vrouwen in de woning zijn aangetroffen. In het proces-verbaal van bevindingen staat namelijk enkel dat er veel kledingstukken op de vloer van de woonkamer lagen. Uit de observaties van de boa’s dat er dames met koffers komen en gaan en dat er in de avonden geen licht brandde kan niet worden opgemaakt dat verzoeker geheel en permanent niet in de woning woont. De burgemeester heeft ter zitting toegelicht dat uit de observaties kan worden afgeleid dat het er in ieder geval op lijkt dat iemand er niet structureel woont. Dat verzoeker er mogelijk niet structureel woonde, betekent echter niet dat verzoeker geheel niet in de woning woont. Bovendien staat hier tegenover dat verzoeker de enige huurder is van de woning en dat hij op het adres van de woning staat ingeschreven in de BRP. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij in de woning woonde en er nog steeds woont en dat de relatie met zijn vriendin waar hij eerder wel eens verbleef, sinds drie weken voorbij is. Ook heeft verzoeker verklaard dat hij zijn woning nodig heeft om de omgang met zijn dochter door te kunnen laten gaan en een omgangsregeling te verkrijgen met zijn jongste dochter.
5.5.
Gelet op het voorgaande geeft de voorzieningenrechter verzoeker het voordeel van de twijfel en gaat er (vooralsnog) vanuit dat verzoekers woning in elk geval ten dele door hem als woning wordt gebruikt. Gelet daarop is de burgemeester niet bevoegd om de woning te sluiten op grond van artikel 5:21 van Pro de Awb in combinatie met artikel 3:33 van Pro de APV. Het bezwaar van verzoeker heeft dus een redelijke kans van slagen en dat is aanleiding om de gevraagde voorziening toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 10 december 2025 tot sluiting van de woning van verzoeker is geschorst tot twee weken nadat een beslissing op bezwaar is bekendgemaakt. Dat betekent dat de woning op dit moment niet mag worden gesloten.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het griffierecht vergoeden en krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten ter hoogte van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift door een gemachtigde en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-). De burgemeester moet deze vergoeding betalen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • schorst het besluit van 10 december 2025 tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.M.F. Roijen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026 .
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 januari 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 6 juni 2000 (ECLI:NL:RVS:2000:AA6842) en van 21 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3860).
2.De wetgever heeft de bevoegdheid om een woning te sluiten neergelegd in specifieke wetsartikelen, zoals artikel 174a van de Gemeentewet en artikel 13b van de Opiumwet. Deze artikelen kennen strenge voorwaarden, juist omdat grondrechten in het geding zijn.
3.Zie de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 december 2022, r.o. 8.