ECLI:NL:RBMAA:2001:AB2027

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
19 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/456 AOW Z
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 KB 746Art. 6 AOWArt. 13 AnwArt. 6 AKWArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen terugwerkende vrijstelling van verzekeringsplicht bij dubbele premieheffing

Eiser verzocht om vrijstelling van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen met ingang van 1 januari 1998 om dubbele premieheffing in Nederland en Duitsland te voorkomen. Verweerder verleende vrijstelling met ingang van 5 oktober 1999, de datum van het eerste verzoek.

De rechtbank oordeelt dat de wettelijke regeling (artikel 22 KB Pro 746) duidelijk voorschrijft dat vrijstelling niet met terugwerkende kracht kan worden verleend, tenzij sprake is van onbillijkheid van overwegende aard. Eiser heeft niet kunnen aantonen dat hij tijdig heeft geprobeerd duidelijkheid te verkrijgen over zijn verzekeringspositie, noch dat de late aanvraag het gevolg was van onjuiste voorlichting door een publiekrechtelijk orgaan.

Hoewel de financiële gevolgen voor eiser pijnlijk zijn, is er geen sprake van een situatie die bijzondere hardheid rechtvaardigt. De rechtbank benadrukt dat de Belastingdienst verantwoordelijk is voor de aanslagen en dat eiser zich daarover tot de Belastingdienst moet wenden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vrijstelling van verzekeringsplicht gaat in op de datum van het verzoek, 5 oktober 1999.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT
Reg.nr.: AWB 00/456 AOW Z
UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen
A te B, eiser,
en
de Sociale Verzekeringsbank - Kantoor Verzekeringen - ,
gevestigd te Amstelveen, verweerder.
Datum bestreden besluit: 15 maart 2000.
Kenmerk: VZ-0571303-0 Verz./K&D/BAV3879/AvS.
Behandeling ter zitting: woensdag 7 februari 2001.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 15 maart 2000 heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaar-schrift van 22 november 1999 tegen een door verweerder genomen besluit van 22 oktober 1999 ongegrond verklaard.
Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiser beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eisers gemachtigde gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.
Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 7 februari 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen. Zijn gemachtigde mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, verbonden aan ARAG Rechtsbijstand te Leusden, heeft bij brief van 5 februari 2001 aan de rechtbank laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door A. van Scherpenzeel.
II. OVERWEGINGEN.
A. De feiten.
Naar aanleiding van eisers aanvraag heeft verweerder eiser bij besluit van 22 oktober 1999 met ingang van 5 oktober 1999 vrijstelling verleend van de verzekeringsplicht ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij brief van 22 november 1999. Daarbij heeft hij aangevoerd, dat hij met ingang van 1 januari 1998 vrijgesteld wenst te worden van de verzekeringsplicht om te voorkomen dat hij vanaf die datum met dubbele premieheffing en dubbele verzekeringsplicht wordt geconfronteerd. De Nederlandse Belastingdienst heeft eiser over het jaar 1997 al als vrijgesteld beschouwd, aangezien hij over dat jaar een aanslag heeft ontvangen waarin geen premie volksverzekeringen is begrepen. De Belastingdienst zou hiertoe zijn gekomen omdat eiser zijn Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering in 1997 rechtstreeks van de Landesversicherungsanstalt te Westfalen heeft ontvangen en niet, zoals dit vanaf het jaar 1998 het geval is, via bemiddeling van het Bureau Duitse Zaken te Nijmegen.
Eiser is op 11 februari 2000 in de gelegenheid gesteld om op het bezwaarschrift te worden gehoord.
B. Het besluit.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit eisers bezwaarschrift ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen, dat eiser gedurende de periode van werken buiten Nederland van rechtswege was uitgesloten van de Nederlandse verzekeringsplicht. Hiervoor is geen vrijstelling nodig.
Nadat eiser de werkzaamheden had beëindigd is hij - ook van rechtswege - als ingezetene van Nederland verplicht verzekerd geworden. Om als ingezetene vrijgesteld te worden van de verzekeringsplicht moet een verzoek om vrijstelling worden ingediend. Op 5 oktober 1999 is door eiser voor het eerst verzocht om vrijstelling van de verzekeringsplicht. Op grond van artikel 22, tweede lid, van KB 746 heeft verweerder eiser dan ook vrijstelling verleend met ingang van de datum waarop het verzoek daartoe voor het eerst is ingediend, te weten 5 oktober 1999. Aan eisers wens om de vrijstelling op een eerdere datum te doen ingaan kan verweerder niet voldoen.
Artikel 22, tweede lid, van KB 746 is wat tekst en strekking betreft een duidelijke bepaling en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. De regelgever heeft met deze dwingendrechtelijke bepaling ongewenste risicoselectie willen voorkomen. Deze bepaling laat verweerder dan ook niet de ruimte om de ingangsdatum van eisers vrijstelling op een eerdere datum dan 5 oktober 1999 te bepalen.
Ook toepassing van artikel 22, derde lid, van KB 746 kan in eisers geval niet leiden tot het verlenen van vrijstelling met terugwerkende kracht. Volgens verweerders vaste beleidslijn is er geen sprake van onbillijkheden van overwegende aard, indien iemand heeft nagelaten tijdig een verzoek in te dienen als gevolg van onbekendheid met de regelgeving, hoe begrijpelijk die onbekendheid overigens ook is.
Het feit dat de Belastingdienst bij eiser over het jaar 1997 geen premie volksverzekeringen heeft geheven vloeit voort uit de omstandigheid dat hij bij het aangiftebiljet voor inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997 heeft aangegeven nog steeds buiten Nederland werkzaam te zijn, hetgeen feitelijk niet het geval was. De Belastingdienst kon hieruit niet anders concluderen dan dat de situatie zoals die vóór het jaar 1997 bestond ongewijzigd was gebleven. Eiser heeft derhalve zelf aanleiding gegeven tot het achterwege blijven van premieheffing voor de volksverzekeringen, terwijl hij wel verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen.
Uit de verzekering ingevolge de volksverzekeringen vloeien enerzijds premieplicht en anderzijds aanspraken voort. Ook om die reden is er geen sprake van onbillijkheden van overwegende aard.
C. Het beroep.
Eiser kan zich met voormeld besluit van verweerder niet verenigen. Daartoe is namens hem in beroep aangevoerd, dat eiser er door de buitenlandse uitkeringsinstantie (de Landesversicherungsanstalt te Westfalen) niet op is gewezen dat hij vrijstelling kon vragen. Hierdoor heeft eiser eerst in oktober 1999 een verzoek daartoe gedaan, nadat hij door de fiscus op deze mogelijkheid was gewezen. Daarom zou in eisers geval artikel 22, derde lid, van het KB 746 toegepast moeten worden. Eiser mocht er namelijk op vertrouwen dat hij door de LVA juist en volledig was geïnformeerd over zijn rechten en plichten. Nu de LVA heeft verzuimd eiser op de mogelijkheid van vrijstelling te wijzen, is er sprake van onbillijkheden van overwegende aard op basis waarvan de vrijstelling met terugwerkende kracht zou moeten worden verleend.
Voorts wordt eiser, doordat geen vrijstelling met terugwerkende kracht wordt verleend, voor 1998 geconfronteerd met een forse belastingaanslag van ongeveer ƒ 9.000,--. Dit is 1/3 van het jaarlijkse netto inkomen van eiser. Voor 1999 valt een soortgelijke aanslag te verwachten. Deze achteruitgang in zijn netto inkomen levert eveneens een onbillijkheid van overwegende aard op op basis waarvan de vrijstelling met terugwerkende kracht dient te worden verleend.
D. De beoordeling.
De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.
Ingevolge de artikelen 6 AOW, 13 Anw en 6 AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wetten degene, die (nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en) ingezetene is.
Ingevolge het derde lid van voormelde artikelen kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.
Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna KB 746), in werking getreden met ingang van 1 januari 1999, wordt de persoon, die in Nederland woont en die recht heeft op een uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid of op grond van een regeling van een volkenrechtelijke organisatie, op zijn aanvraag, voor zolang hij geen arbeid in Nederland verricht, door de SVB van de verzekering op grond van de AOW, de Anw en de AKW vrijgesteld, zolang hij aan het in dat artikel onder a of b gestelde voldoet.
De vrijstelling gaat ingevolge artikel 22, tweede lid, van KB 746 in op de datum van de aanvraag.
Ingevolge artikel 22, derde lid, van KB 746 kan de SVB de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, verlenen met ingang van een datum, die gelegen is ten hoogste drie jaar vóór de datum van de aanvraag, doch niet eerder dan de datum waarop recht is ontstaan op de buitenlandse wettelijke uitkering of de uitkering van de volkenrechtelijke organisatie, indien toepassing van het tweede lid
leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Blijkens de Nota van Toelichting bij artikel 22, derde lid, van KB 746 is het in bepaalde gevallen, waarin toepassing van het tweede lid tot een onredelijke uitkomst zou leiden, mogelijk dat aan de vrijstelling terugwerkende kracht wordt verleend. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan de persoon, die aantoonbaar heeft getracht duidelijkheid te krijgen over zijn verzekeringspositie, maar door aan hem niet toe te rekenen omstandigheden daarin niet is geslaagd. De terugwerkende kracht, die door de SVB aan de vrijstelling kan worden verleend, beslaat ten hoogste een periode van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het vrijstellingsverzoek werd ingediend. Uiteraard kan ook hier de vrijstelling niet eerder ingaan dan de datum waarop de aanspraak op de niet-Nederlandse uitkering is ontstaan. Zou het toepassen van de terugwerkendekrachtbepaling betekenen dat de vrijstelling dient in te gaan op een datum die ligt vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, dan mag dat geen beletsel vormen.
Bij de totstandkoming van artikel 22, derde lid, van KB 746 hebben de navolgende overwegingen een rol gespeeld. Aan verzoeken om terugwerkende kracht ligt doorgaans het onbekend zijn met de regeling ten grondslag. Het gaat te ver om het ontbreken aan kennis over het bestaan van de huidige regeling, waardoor vrijstellingsverzoeken soms met enige vertraging worden ingediend, uitsluitend toe te schrijven aan gebrekkige voorlichting terzake. Er mag in gevallen als deze wel degelijk ook een beroep worden gedaan op initiatieven van de belanghebbende zelf. Ingrijpende wijzigingen in de privé-omstandigheden, bijvoorbeeld omdat men plotseling onder de belasting- en premieheffing van een ander land valt, dienen voldoende aanleiding te zijn voor degene die zulks treft bijtijds, liefst vooraf, informatie in te winnen over de nieuwe spelregels. Op die manier kan veel onbegrip worden voorkomen. Desalniettemin is het kabinet bereid om de bestaande vrijstellingsregeling op dit punt enigszins te versoepelen. Uit praktijkgevallen gedurende de afgelopen jaren is gebleken dat in enkele situaties de belanghebbende wel degelijk al het mogelijke heeft gedaan er achter te komen hoe de relevante regelgeving in elkaar steekt vanaf het moment dat het Nederlandse sociale verzekeringsstelsel op hem van toepassing is. De verantwoordelijke organen hebben de betrokkene echter in het geheel niet of niet tijdig geïnformeerd over de mogelijkheid om vrijstelling aan te vragen van verzekerings- en priemieplicht krachtens de volksverzekeringen. In dergelijke situaties zou aan de SVB de mogelijkheid kunnen worden gegeven om aan die persoon met terugwerkende kracht vrijstelling van verzekeringsplicht te verlenen (TK vergaderjaar 1995-1996, 24 754, nr. 2, blz. 13).
Belanghebbenden hebben in dezen ook een eigen verantwoordelijkheid. Veranderingen van belasting- en sociaal verzekeringsregime zijn voor degenen, die het treft, zodanig ingrijpend dat van hen alle mogelijke initiatieven ter zake mogen worden verwacht om onaangename verrassingen in de toekomst zo veel als mogelijk uit te sluiten. Zo zal men ook zelf moeten zien te achterhalen wat in de nieuwe situatie de rechten en plichten zijn. De burger heeft hier zeker een eigen verantwoordelijkheid. In grensoverschrijdende gevallen kan men niet passief blijven wanneer men verhuist, het werk eindigt of een uitkering wordt aangevraagd. (TK vergaderjaar 1995-1996, 24 754, nr. 2, blz. 34).
Het kan voorkomen dat de aanvrager onkundig was over de vrijstellingsregeling, terwijl hij eigenlijk al aan de voorwaarden voldeed voordat hij het betreffende verzoek indiende. Ook worden soms uitkeringen met terugwerkende kracht betaalbaar gesteld. De financiële gevolgen kunnen daardoor voor de belanghebbende nogal pijnlijk zijn (onnodige premiebetaling die in sommige gevallen een periode van langer dan een jaar kan beslaan). Het kabinet is bereid om voor dergelijke gevallen een bepaling in het leven te roepen op grond waarvan onder bepaalde voorwaarden aan de vrijstelling een terugwerkende kracht kan worden verleend van maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van verzoek om vrijstelling (TK vergaderjaar 1996-1997, 24 754, nr. 4, blz. 7).
De SVB hanteert ter zake het navolgende beleid, zoals vermeld in § 2.4.2.4 van de beleidsregels.
De SVB beziet bij elk verzoek aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden of zich een onbillijkheid van overwegende aard voordoet.
De volgende - niet-limitatief genoemde - gevallen kunnen zich daarbij voordoen:
- Het verzoek om vrijstelling is ingediend binnen een maand nadat de betrokkene zich in Nederland heeft gevestigd.
- Het verzoek om vrijstelling is ingediend binnen een maand nadat de reeds in Nederland wonende betrokkene de beschikking heeft ontvangen waarbij aan hem de buitenlandse uitkering is toegekend.
- De late indiening van het verzoek om vrijstelling is een aantoonbaar gevolg van het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige voorlichting door een publiekrechtelijk orgaan (bijvoorbeeld de Belastingdienst) en de betrokkene had redelijkerwijs niet aan die voorlichting hoeven te twijfelen.
- Het verzoek om vrijstelling is laat ingediend, omdat de betrokkene als gevolg van een geestelijke gestoordheid of een zware lichamelijke handicap niet in staat was tijdig een verzoek in te dienen en van de betrokkene kon evenmin gevergd worden dat hij zich liet vertegenwoordigen.
De SVB gaat ervan uit dat van onbillijkheden van overwegende aard in ieder geval geen sprake kan zijn in gevallen die volgens de beleidsregels, neergelegd in § 5.2.1.1, geen bijzonder geval opleveren.
Deze gevallen zijn:
- een fout van de belangenbehartiger van de betrokkene;
- onvoldoende activiteit van de betrokkene;
- het niet-aangetekend verzenden van stukken door de betrokkene;
- onvoldoende oplettendheid van de betrokkene;
- enkele onbekendheid met de wettelijke bepalingen;
- een noodgedwongen verblijf in het buitenland;
- niet kunnen lezen en schrijven, terwijl men over voldoende hulp kan beschikken;
- niet op de hoogte zijn van gepubliceerde beleidswijzigingen en voldoende bekend geworden jurisprudentie vormt na verloop van een bepaalde termijn - in het algemeen een jaar - geen verschoonbare onbekendheid en derhalve geen bijzonder geval.
Hoofdregel is dat onbekendheid met de wet of een internationale regeling niet zonder meer leidt tot het aannemen van een bijzonder geval, tenzij blijkt van een bijkomende omstandigheid op grond waarvan de betrokkene niet op de hoogte kon zijn van zijn wettelijke rechten (RSV 1983/240).
Eiser heeft verweerder verzocht om artikel 22, derde lid, van KB 746 van toepassing te verklaren op zijn situatie en hem alsnog met een terugwerkende kracht van drie jaar vrijstelling te verlenen, welk verzoek evenwel door verweerder niet is gehonoreerd, aangezien zich in eisers situatie geen onbillijkheid van overwegende aard voordoet, zodat verweerder van genoemde mogelijkheid geen gebruik kan maken.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel, dat terecht en op goede gronden aan eiser vrijstelling is verleend van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen met ingang van 5 oktober 1999, zijnde de datum van het verzoek daartoe, en dat eiser niet heeft aangetoond dat voormelde wettelijke bepaling, waarop hij een beroep heeft gedaan, ook in zijn geval van toepassing is.
De rechtbank overweegt daartoe, onder verwijzing naar voormelde Kamerstukken, dat eiser zich reeds in 1997, toen hij recht kreeg op een uitkering van de Landesversicherungsanstalt Westfalen, had moeten laten inlichten aangaande een eventuele verzekerings- en premieplicht. Dit heeft eiser echter nagelaten.
Niet is gebleken dat eiser aantoonbaar heeft getracht duidelijkheid te verkrijgen over zijn verzekeringspositie, zoals in voormelde Nota van Toelichting wordt voorgeschreven.
Tot slot is geen sprake van de omstandigheid, als omschreven in verweerders beleidsregels, dat de late indiening van het verzoek om vrijstelling een aantoonbaar gevolg is van het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige voorlichting door een publiekrechtelijk orgaan (bijvoorbeeld de Belastingdienst) en redelijkerwijs niet aan die voorlichting getwijfeld hoefde te worden. Eiser was eenvoudigweg niet op de hoogte van het feit dat hij vrijstelling kon aanvragen, zoals hij ter zitting nog eens heeft bevestigd. Vandaar dat hij dit pas in 1999 heeft gedaan.
Naar de Centrale Raad van Beroep in vaste jurisprudentie heeft aangenomen, kan onbekendheid met wettelijke bepalingen over het algemeen niet leiden tot het oordeel, dat de betrokkene niet in verzuim is geweest met een te laat ingediende aanvraag. De omstandigheden die eiser in beroep verder nog heeft aangevoerd acht de rechtbank, voor zover zij al aan verweerder toegerekend zouden kunnen worden, niet van dien aard dat verweerder de vrijstelling met terugwerkende kracht had moeten verlenen.
Het Bureau Duitse Zaken heeft eiser er overigens op gewezen dat in Nederland wonenden in de regel verplicht verzekerd zijn voor de volksverzekeringen en dus ook onderworpen aan de premieheffing (gedingstuk B4c, blz.2). Eiser had zich naar het oordeel van de rechtbank dienaangaande nader moeten laten voorlichten.
De LVA Westfalen heeft geen enkele bemoeienis met de uitvoering van de Nederlandse volksverzekeringswetten. Deze is voorbehouden aan de Nederlandse uitvoeringsorganen. De uitvoering van de vrijstellingsregeling voor de AOW, Anw en de AKW is neergelegd bij de SVB. Op het uitvoeringsorgaan rust geen verplichting de betrokkene te informeren over de mogelijkheid van vrijstelling. De omstandigheid dat de LVA Westfalen eiser niet heeft gewezen op de mogelijkheid van vrijstelling kan er derhalve niet toe leiden dat de aan eiser verleende vrijstelling op een eerdere datum kan ingaan.
Overigens is het feit dat de Belastingdienst eiser over het jaar 1997 als vrijgesteld heeft beschouwd van de verzekeringsplicht een gevolg van - achteraf onjuist gebleken - informatie van eiser.
Ook dit argument treft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen doel.
Is iemand in een situatie geraakt dat sprake is van dubbele verzekering en dubbele premieafdracht ten gevolge waarvan het inkomen dubbel wordt belast zonder dat daar dubbele aanspraken tegenover staan en zou het gezien alle feiten en omstandigheden, met name de financiële situatie van betrokkene, van bijzondere hardheid getuigen als aan die situatie geen einde wordt gemaakt door het treffen van een afwijkende regel ter zake van de verzekering dan kan besloten worden tot uitsluiting van de verplichte verzekering.
In het geval van eiser doet zich een dergelijke situatie niet voor. De in Nederland opgebouwde tijdvakken van verzekering ingevolge de AOW zullen te zijner tijd in het AOW-pensioen worden gehonoreerd. Voor zover eiser al door een dubbele verzekering en dubbele premieafdracht zou zijn getroffen, staan daar in ieder geval wel dubbele aanspraken tegenover.
De rechtbank heeft begrip voor eisers standpunt, dat de financiële consequenties van verweerders besluit voor hem bijzonder pijnlijk zijn. Dienaangaande merkt de rechtbank op, dat het niet verweerder is die de betreffende aanslagen oplegt doch de Belastingdienst. Het ligt op de weg van eiser een en ander bij de Belastingdienst aan de orde te stellen en ter zake een regeling te treffen.
Ook overigens is de rechtbank van oordeel, dat door verweerder niet is gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep van eiser voor ongegrond moet worden gehouden.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt beslist.
III. BESLISSING.
De arrondissementsrechtbank te Maastricht:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars
als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2001 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. C. Kavelaars w.g. M.C. van Binnebeke
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
Verzonden op: 19 maart 2001
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.