ECLI:NL:RBMAA:2002:AE0784
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Bergmans
- Sijmonsma
- Laumen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toerekenbaarheid van immateriële schadevergoeding binnen faillissementsboedel
De zaak betreft een beroepschrift van een failliet, die een beschikking van de rechter-commissaris aanvecht. De failliet had ernstige letselschade geleden door een verkeersongeval en was in staat van faillissement verklaard. Na een vaststellingsovereenkomst met de verzekeraar werd een bedrag toegekend, inclusief een immateriële schadevergoeding (smartengeld).
De failliet verzocht de rechter-commissaris om het smartengeld buiten de faillissementsboedel te houden, hetgeen werd afgewezen. De rechtbank bevestigt dat het recht op smartengeld een vermogensrecht is dat onderdeel uitmaakt van de faillissementsboedel, mede op grond van artikel 6:106 lid 2 BW Pro en de Faillissementswet.
De rechtbank overweegt dat de wetgever bewust heeft gekozen om immateriële schadevergoeding vatbaar te maken voor beslag en faillissementsbeslag. Beroepen op redelijkheid en billijkheid, alsmede op eerdere arresten van de Hoge Raad, worden verworpen omdat deze niet van toepassing zijn op de onderhavige situatie.
De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt de failliet in de kosten van het hoger beroep. Hiermee blijft de beschikking van de rechter-commissaris in stand.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat de immateriële schadevergoeding onderdeel is van de faillissementsboedel.