ECLI:NL:RBMAA:2002:AE1348
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij echtscheiding met internationaal karakter en gezagsregeling
De vrouw diende een verzoek tot echtscheiding in bij de rechtbank Maastricht, dat betekend werd aan de man in België. De man stelde een exceptie van litispendentie in vanwege een gelijktijdige procedure in het Tribunal de Première Instance te Verviers, België.
De rechtbank onderzocht de bevoegdheid op grond van de Verordening nr. 1347/2000 (VoB-II) en het Betekeningsverdrag van 1965. De rechtbank oordeelde dat de betekening conform de voorschriften had plaatsgevonden en dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, mede omdat de vrouw haar woonplaats in Nederland heeft.
Verder werd geoordeeld dat de rechtbank ook bevoegd is om te beslissen over het gezamenlijk gezag en de verblijfplaats van de minderjarige kinderen, aangezien deze beslissingen onder het begrip ouderlijke verantwoordelijkheid vallen volgens VoB-II. De rechtbank hield de beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen aan, omdat partijen nog overleg voerden.
Ten slotte werd de verdeling van de huwelijksgemeenschap toegewezen onder Nederlands recht, met de kanttekening dat onroerende zaken in België door de Belgische gerechten moeten worden verdeeld. De beschikking werd uitgesproken door rechter W.L.J. Voogt op 11 april 2002.
Uitkomst: De rechtbank Maastricht verklaart zich bevoegd en spreekt de echtscheiding uit, houdt beslissing over verblijfplaats kinderen aan en beveelt verdeling huwelijksgemeenschap onder Nederlands recht.