ECLI:NL:RBMAA:2002:AE1659
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.H.J. Frénay
- R.H.J. Otto
- E.W.A. van den Berg
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering verdachte oplichting aan België
De rechtbank Maastricht behandelde het verzoek van België tot uitlevering van een verdachte die in Nederland gedetineerd is. De verdediging voerde aan dat de identiteit van de opgeëiste persoon onvoldoende was vastgesteld, onder meer vanwege het ontbreken van een persoonsconfrontatie en twijfel over vingerafdrukken. De rechtbank oordeelde echter dat de vingerafdrukken van de verdachte identiek waren aan die van de in België gezochte persoon, en dat de verdachte zelf verklaarde ook onder het alias bekend te zijn.
Het verzoek tot uitlevering betrof 18 gevallen van oplichting gepleegd in verschillende Belgische gemeenten tussen september 1997 en mei 1998, met schadebedragen variërend van tienduizenden tot enkele honderden duizenden Belgische frank. De feiten zijn strafbaar gesteld onder artikel 496 van Pro het Belgische Wetboek van Strafrecht, met een maximale gevangenisstraf van drie jaar, en zijn overeenkomstig strafbaar gesteld in Nederland onder artikel 326 Sr Pro.
De rechtbank concludeerde dat aan de formele vereisten van het Beneluxverdrag en de uitleveringswet was voldaan en dat er geen beletselen waren voor uitlevering. De verdachte had afstand gedaan van zijn recht om ter terechtzitting te verschijnen. De rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar en wees het verweer van de raadsman af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de uitlevering van de verdachte aan België toelaatbaar voor 18 feiten van oplichting.