AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vergunning geweigerd voor zwembad in tuin, beroep gegrond verklaard wegens onjuiste weigering
Eisers hadden een bouwvergunning aangevraagd voor een oranjerie en later voor een zwembad naast hun woning. Het college van burgemeester en wethouders weigerde de vergunningen omdat het bouwen in strijd was met het bestemmingsplan en het zwembad niet gewenst werd geacht. Tevens werd een last onder dwangsom opgelegd voor het verwijderen van het reeds deels gerealiseerde zwembad.
Eisers maakten bezwaar en stelden dat de beslissing op bezwaar onjuist was omdat de bouwvergunningaanvraag voor het zwembad ontvankelijk was en heroverweging ex nunc had moeten plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat het zwembad als een passend bouwwerk binnen de bestemming 'tuin' kon worden aangemerkt en dat het bestemmingsplan de vergunning niet kon weigeren op de aangevoerde gronden.
De rechtbank vernietigde het besluit tot weigering van de vergunning wegens gebrek aan deugdelijke motivering en veroordeelde de gemeente in de proceskosten. Eisers kregen tevens het griffierecht vergoed. De rechtbank droeg de gemeente op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de bouwvergunning en oplegging van dwangsom wordt vernietigd.
Uitspraak
RECHTBANK MAASTRICHT
Reg.nr: AWB 01/1757 GEMWT I
UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen
A en A-B, wonende te C, eisers,
en
het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Sittard-Geleen, gevestigd te Sittard, verweerder.
Datum bestreden besluit: 6 november 2001.
Kenmerk: 330398.
Behandeling ter zitting: 15 oktober 2002.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.
Bij besluit van 8 maart 2001, verzonden op 20 maart 2001, heeft verweerder eisers aangeschreven om uiterlijk op 1 mei 2001 het –in aanbouw zijnde– zwembad, gesitueerd naast hun woning op het perceel aan de […]straat 10 te C, kadastraal bekend gemeente C (D), sectie […], nr. […], (hierna te noemen: het perceel), te verwijderen. Verweerder heeft daarbij met toepassing van artikel 125 vanPro de Gemeentewet en artikel 5:32 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb) medegedeeld dat eisers, wanneer mocht blijken dat zij op voornoemde datum niet hebben voldaan aan de aanschrijving, een dwangsom verbeuren van fl. 10.000,--.
Tegen dit besluit hebben eisers bij schrijven van 6 april 2001 van hun gemachtigde een bezwaarschrift ingediend. De gronden van dat bezwaarschrift zijn bij schrijven van 16 mei 2001 van de gemachtigde van eisers nader aangevuld.
Bij, het in de aanhef van deze uitspraak genoemde, besluit van 6 november 2001, verzonden op 7 december 2001, heeft verweerder het namens eisers ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Eisers hebben bij schrijven van 28 december 2001 van hun gemachtigde bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 6 november 2001.
Bij schrijven van 28 januari 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Dat verweerschrift en de door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 vanPro de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eisers gezonden.
De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 15 oktober 2002, alwaar namens eisers mevr. D is verschenen. Zij werd bijgestaan door de gemachtigde van eisers, mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht. Namens verweerder is dhr. M.G.W. Rutten ter zitting verschenen.
II. OVERWEGINGEN.
Op 18 mei 2000 heeft de inspecteur van Bouw- en Woningtoezicht van de afdeling Wonen en Milieu van de –toenmalige– gemeente D geconstateerd dat door respectievelijk namens eisers op het perceel bouwwerkzaamheden werden uitgevoerd zonder de daarvoor vereiste vergunning. Die werkzaamheden betroffen het oprichten van een oranjerie tegen de zijgevel van de in verbouw zijnde woning van eisers en het realiseren van een zwembad naast die woning. Teneinde te voorkomen dat deze illegale situatie in ernst en omvang zou toenemen, heeft de inspecteur diezelfde dag nog besloten om de bouwwerkzaamheden onmiddellijk stop te leggen. Vorenbedoeld besluit is bij schrijven van 24 mei 2000 aan eisers bevestigd.
Eisers hebben tegen het besluit van 18 mei 2000 geen rechtsmiddel aangewend.
Op 19 januari 2000 hebben eisers bij het college van burgemeester en wethouders van de
–toenmalige– gemeente Born een vergunning aangevraagd voor het aan de zijgevel van hun woning bouwen van een oranjerie.
Voornoemd college heeft bij besluit van 26 juni 2000, verzonden bij schrijven van 7 juli 2000,
–voorzover thans van belang– overwogen dat het bouwen van een oranjerie in strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “C” kern” en dat er geen aantoonbare urgentie/noodzaak aanwezig is tot het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 vanPro de WRO. Daarop heeft meergenoemd college besloten om de door eisers aangevraagde bouwvergunning te weigeren.
Bij schrijven van 7 juli 2000 heeft meergenoemd college tevens aan eisers medegedeeld dat, nu de gevraagde bouwvergunning is geweigerd, er thans sprake is van een illegale situatie en heeft het eisers gesommeerd om de reeds gerealiseerde illegale bebouwing (inclusief het –in aanbouw zijnde– zwembad) te verwijderen, bij gebreke waarvan eisers op straffe van een dwangsom zouden worden aangeschreven tot verwijdering van het illegaal gebouwde.
Eisers hebben tegen het besluit van 26 juni 2000 geen rechtsmiddel aangewend.
Bij schrijven van 11 juli 2000 hebben eisers aan verweerder bericht dat zij bereid zijn tot het afbreken van het inmiddels opgemetselde binnenspouwblad. Tevens hebben zij verweerder verzocht om de legalisatie van het –in aanbouw zijnde– zwembad te onderzoeken.
Verweerder heeft daarop bij besluit van 8 maart 2001, verzonden op 20 maart 2001, overwogen dat,
hoewel het door eisers voorgestane zwembad qua omvang als passend kan worden beschouwd, hij een zwembad op de onderhavige locatie niet gewenst vindt en dat op een eventuele bouwaanvraag respectievelijk verzoek om vrijstelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan afwijzend beschikt zal moeten worden. Bij dat besluit heeft verweerder eisers voorts aangeschreven om uiterlijk op 1 mei 2001 het zwembad te verwijderen, onder oplegging van een dwangsom van fl. 10.000,--.
Aangezien eisers zich met het besluit van 8 maart 2001 niet hebben kunnen verenigen, hebben zij er bij schrijven van 6 april 2001 bezwaar tegen gemaakt. De gronden van dat bezwaar zijn bij schrijven van 16 mei 2001 nader aangevuld.
Ter voldoening aan de “Verordening behandeling bezwaar- en beroepschriften Sittard-Geleen 2001” heeft verweerder het door eisers ingediende bezwaarschrift in handen gesteld van de Algemene Kamer voor behandeling van bezwaar- en beroepschriften in de gemeente Sittard-Geleen (hierna te noemen: de Kamer).
De Kamer heeft eisers in de gelegenheid gesteld om op hun bezwaarschrift te worden gehoord. Van die gelegenheid hebben zij gebruik gemaakt.
Bij schrijven van 26 april 2000 heeft verweerder aan eisers bericht dat de effectuering van het besluit van 8 maart 2001 zal worden opgeschort tot (uiterlijk) vier weken na de dag waarop het besluit op het bezwaarschrift op de voorgeschreven wijze aan hen is bekendgemaakt.
Op 12 juni 2001 heeft de Kamer verweerder geadviseerd om laatstgenoemd besluit te handhaven en de daartegen door eisers ingestelde bezwaren ongegrond te verklaren.
Bij schrijven van 17 september 2001 van hun gemachtigde hebben eisers aan verweerder bericht dat met betrekking tot het door hen voorgestane zwembad een formele aanvraag voor een bouwvergunning zal worden ingediend en is verweerder, onder verwijzing naar artikel 7:9 vanPro de Awb, verzocht om de beslissing op bezwaar uit te stellen totdat hij op die aanvraag heeft beslist.
Op 3 oktober 2001 hebben eisers bij verweerder een vergunning aangevraagd voor het uitbreiden van hun woonhuis met een inpandig zwembad. Bij brief van 12 oktober 2001 heeft verweerder de ontvangst van voornoemde aanvraag bevestigd.
Nadat eisers terzake van hun bouwvergunningaanvraag –op verzoek van verweerder–nog aanvullende gegevens hebben verstrekt, heeft verweerder die aanvraag bij brief van 22 november 2001 ontvankelijk verklaard.
Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 6 november 2001, verzonden op 7 december 2001, het bezwaarschrift van eisers, onder verwijzing naar het advies van de Kamer, ongegrond verklaard.
Daar eisers zich met dit besluit evenmin hebben kunnen verenigen, hebben zij er bij schrijven van 28 december 2001 van hun gemachtigde bij deze rechtbank beroep tegen ingesteld.
In beroep is namens eisers aangevoerd dat verweerder bij zijn beslissing op bezwaar onvoldoende rekening heeft gehouden met hun formele verzoek tot legalisering van het zwembad, omdat verweerder de besluitvorming op de bouwvergunningaanvraag niet heeft afgewacht, terwijl hij dat, gelet op artikel 7:9 enPro 7:11 van de Awb, wel had moeten doen. Nu er op het moment van het nemen van de beslissing op bezwaar een ontvankelijke bouwvergunningaanvraag lag en heroverweging ex nunc dient plaats te vinden, had in casu, aldus eisers, rekening gehouden dienen te worden met mogelijke legalisering van het zwembad. Volgens eisers is daarbij van belang dat de nieuwe bouwvergunningaanvraag afwijkt van de eerder geweigerde aanvraag terwijl tevens het wettelijk kader gewijzigd is.
Voorts is namens eisers aangevoerd dat het beleid, waarop verweerder zich in de beslissing op bezwaar beroept, juridisch niet relevant is, omdat het schriftelijk is vastgelegd noch is kenbaar gemaakt.
Ter zitting hebben eisers nog aangevoerd dat waar nu de sparing voor het zwembad is gemaakt in het verleden een zinkput van nagenoeg gelijke omvang lag. In dat kader kan, aldus eisers, het zwembad gezien worden als een vervanging van die zinkput en kan op grond van de overgangsrechtelijke bepalingen van artikel 37 vanPro de voorschriften van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan het zwembad eveneens gelegaliseerd worden.
Verder hebben eisers ter zitting nog aangevoerd dat de eis in de dwangsombeschikking om wanden en vloeren weg te halen onredelijk bezwarend is, nu daar een bedrag van meer dan € 11.000,-- mee gemoeid is.
In dit geding dient te worden beoordeeld of verweerder terecht en op goede gronden bij besluit van 8 maart 2001 heeft besloten om eisers een last onder dwangsom op te leggen.
Ingevolge artikel 5:32, lid 1, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Onder bestuursdwang wordt, blijkens artikel 5:21 vanPro de Awb, verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.
Artikel 5:22 vanPro de Awb bepaalt dat de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang slechts bestaat indien zij bij of krachtens de wet is toegekend.
Artikel 125, lid 1, van de Gemeentewet bepaalt dat het gemeentebestuur bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge lid 2 van dat artikel wordt die bevoegdheid uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is voor het toepassen van bestuursdwang dan wel het opleggen van een last onder dwangsom, behoudens bijzondere omstandigheden, alleen plaats indien sprake is van een handelen in strijd met een wettelijk voorschrift en deze handeling niet kan worden gelegaliseerd.
Artikel 40, lid 1, van de Woningwet bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een, door het college van burgemeester en wethouders verleende, bouwvergunning.
Ingevolge artikel 1, onder a, van de Woningwet wordt –voorzover thans van belang– voor de toepassing van die wet onder bouwen verstaan: het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
Artikel 1 vanPro de bouwverordening 1992 verstaat onder een bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
Hierop gelet, is de rechtbank van oordeel dat een zwembad is aan te merken als een constructie in bovenomschreven zin, zodat voor het realiseren daarvan een bouwvergunning vereist is.
Tussen partijen is in confesso dat eisers ten tijde van de dwangsomaanschrijving niet in het bezit waren van een dergelijke vergunning. Desondanks hadden zij toen reeds een aanvang gemaakt met de realisatie van het zwembad, zodat er op voornoemd moment zijdens eisers sprake was van een handelen in strijd met een wettelijk voorschrift. Verweerder is –in beginsel– dan ook bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang, waarmee de bevoegdheid tot het aan eisers opleggen van een last onder dwangsom gegeven is.
Partijen zijn het erover eens, en ook de rechtbank gaat daarvan uit, dat ingevolge het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan, op het gedeelte van het perceel waar eisers het zwembad wensen te realiseren de bestemming “tuin” rust. Op de als zodanig bestemde gronden mag blijkens artikel 24, lid 2, van de bij dit bestemmingsplan behorende voorschriften geen bebouwing worden opgericht, behoudens andere bouwwerken, die qua aard en afmetingen bij de bestemming “tuin” passen.
De rechtbank is van oordeel dat het in geding zijnde zwembad dient te worden aangemerkt als een ander bouwwerk dat qua aard en afmetingen bij de bestemming tuin past. Daartoe overweegt de rechtbank dat het totale perceel van eisers een oppervlakte van 2.975 m2 heeft, waarvan ongeveer 80% de bestemming “tuin” heeft. Het door eisers gewenste zwembad heeft een oppervlakte van 27m2. Hierop gelet is de rechtbank van oordeel dat de afmetingen van dat zwembad ten opzichte van de oppervlakte van eisers perceel zodanig beperkt is, dat het zwembad als passend binnen de bestemming tuin kan worden aangemerkt. Ook qua aard past een zwembad als het onderhavige naar het oordeel van de rechtbank binnen de bestemming tuin.
Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat het door eisers op hun perceel gewenste zwembad in strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan. De voor die constructie aangevraagde bouwvergunning kan dan ook niet worden geweigerd op grond van artikel 44, onder c, van de Woningwet. Van toepasselijkheid van een van de overige weigeringsgronden als genoemd in dat artikel is niet gebleken. Dat de –voormalige– gemeente Born het door eisers te realiseren zwembad niet gewenst vond omdat zij zeer terughoudend omging met bebouwing van gronden met de bestemming “tuin”, kan gelet op het limitatief-imperatieve karakter van artikel 44 vanPro de Woningwet geen grond opleveren voor weigering van de door eisers aangevraagde bouwvergunning voor het op hun perceel oprichten van een zwembad. Zulks geldt eveneens voor verweerders vrees voor precedentwerking.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het door eisers gewenste zwembad gelegaliseerd kan worden. Nu verweerder aan het thans bestreden besluit van 6 november 2001 ten grondslag heeft gelegd dat legalisering van eisers bouwplan niet mogelijk is, is de rechtbank, gelet op het vorenoverwogene, van oordeel dat voornoemd besluit een deugdelijke motivering ontbeert, hetgeen ingevolge artikel 7:12, lid 1, van de Awb wel is vereist. Het beroep van eisers dient dan ook reeds om deze reden gegrond verklaard te worden, in welk kader voornoemd besluit dient te worden vernietigd.
Gezien het vorenstaande behoeven de overige, door eisers aangevoerde, gronden geen bespreking meer.
De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:75, lid 1, van de Awb te veroordelen in de kosten, die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Die kosten zullen, met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna te noemen: Bpb), worden vastgesteld op het hieronder in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eisers twee punten (één voor het indienen van het beroepschrift en één voor het verschijnen ter zitting) worden toegekend en het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere, ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende, kosten is niet gebleken.
Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.
III. BESLISSING.
De rechtbank Maastricht:
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eisers;
- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op € 644,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de Gemeente Sittard-Geleen aan eisers;
- bepaalt dat voormelde rechtspersoon aan eisers het door hen voor de onderhavige procedure gestorte griffierecht ten bedrage van € 109,36 (fl. 241,--) volledig vergoedt.
Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2002 door mr. Willemsen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. J. Devoi w.g. Willemsen
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
Verzonden op: 12 november 2002
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.