ECLI:NL:RBMAA:2002:AF2243

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
9 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/207 NABW I
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.J.G.E. Wolters
  • J.N.F. Sleddens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6 EVRMArt. 7 AbwArt. 8:42 AwbArt. 8:70 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking bijstandsuitkering wegens onzorgvuldigheid en ontbreken cautie

Eiser ontving sinds januari 2001 een bijstandsuitkering en werkte in juni 2001 zonder dit te melden. Verweerder trok de uitkering per 1 juni 2001 in wegens niet-nakoming van de inlichtingenplicht op grond van artikel 65 Abw Pro. Eiser stelde dat hij onwetend was over de regelgeving en dat hij bij verhoor door de Sociale Recherche geen cautie had gekregen, wat onzorgvuldig was.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door geen cautie te verlenen tijdens het verhoor en het ontbreken van een proces-verbaal. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Desondanks was het aannemelijk dat eiser werkzaamheden had verricht en onvoldoende inzicht gaf in zijn middelen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

Het primaire besluit tot intrekking was daarom onzorgvuldig, maar de rechtbank achtte het terecht dat de uitkering vanaf 1 juni 2001 werd beëindigd. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand en veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Reg.nr: AWB 02/207 NABW I
UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen
A te B, eiser,
en
het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Brunssum, gevestigd te Brunssum, verweerder.
Datum bestreden besluit: 18 december 2001.
Kenmerk: BJC nr. 01/13188, 14401, 14980.
Behandeling ter zitting: 24 september 2002
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 18 december 2001 heeft verweerder een namens eiser ingediend bezwaarschrift van 17 oktober 2001 tegen een door verweerder genomen besluit van 19 september 2001 ongegrond verklaard.
Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiser door mr. J.G.M. Daemen, advocaat te Brunssum beroep ingesteld bij deze rechtbank.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.
Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 24 september 2002, alwaar voor eiser is verschenen zijn gemachtigde mw. mr. A.C. Dabekausen, advocaat te Brunssum.
Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door dhr. T.G.J. Ciszko.
II. OVERWEGINGEN.
1. De feiten.
Eiser ontving sedert 10 januari 2001 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm van alleenstaande vanwege verweerders gemeente.
Bij besluit van 19 september 2001, verzonden 25 september 2001 heeft verweerder de uitkering van eiser ingetrokken met ingang van 1 juni 2001 omdat eiser de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen niet is nagekomen zodat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Dit besluit vindt zijn grondslag in een onderzoek door de sociale recherche waaruit is gebleken dat eiser werkzaamheden verrichtte vanaf 1 juni 2001. Eiser heeft geen exacte gegevens verstrekt over de aard en de omvang van de werkzaamheden en over de inkomsten daaruit.
Namens eiser is hiertegen bij schrijven van 17 oktober 2001 een bezwaarschrift ingediend. Bij schrijven van 16 november 2001 zijn de gronden nader aangevuld.
In het kader van de bezwaarschriftenprocedure heeft op 3 december 2001 een hoorzitting plaatsgevonden. Van deze zitting is een verslag opgemaakt, dat zich bij de gedingstukken bevindt. Zo ook het advies van de Bestuurlijk Juridische Controlling (BJC).
2. Het bestreden besluit.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.
Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt, dat eiser in strijd heeft gehandeld met de in artikel 65, eerste lid van de Abw neergelegde rechtsplicht en dat ten gevolge hiervan het recht op bijstand met ingang van 1 juni 2001 niet kan worden vastgesteld. Het feit, dat bij het tot stand komen van het primaire besluit in strijd is gehandeld met de zorgvuldigheid, laat onverlet, dat de gevolgen van het bestreden besluit in stand dienen te blijven.
3. Het beroep.
Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aangevoerd, dat eiser vanaf januari 2001 woonachtig is in Nederland na 17 jaar in het buitenland werkzaam te zijn geweest, waardoor hij niet bekend was met de gang van zaken in Nederland in het bijzonder de verplichtingen waaraan hij diende te voldoen in het kader van de Abw.
Eiser heeft vraag 20 van het rechtmatigheidsformulier foutief geïnterpreteerd hij heeft ingevuld in juni geen werkzaamheden te hebben verricht omdat hij nog geen inkomsten hierover had ontvangen.
Bij de aanhouding op 6 juli 2001 door de Sociale Recherche was eiser zo overdonderd en vertrouwde hij de gehele gang van zaken niet, waardoor hij ontkennend heeft geantwoord op de vraag of hij aan de […]laan […] te Y werkzaam was.
Eiser stelt dat er bij deze aanhouding geen cautie is verleend en er nadien geen proces verbaal is opgemaakt, dit acht eiser in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair playbeginsel.
De dag erna heeft eiser contact opgenomen met verweerder om te informeren wanneer zijn uitkering zou worden uitbetaald. Verweerder heeft eiser toen medegedeeld dat er niet tot betaling zou worden overgegaan. Eiser is niet op voorhand geïnformeerd over de intrekking van de bijstandsuitkering.
Eiser was nog steeds in de veronderstelling dat hij de werkzaamheden pas op hoefde te geven op het moment dat er inkomsten waren genoten. Toen bleek dat dit niet het geval was heeft eiser aangeboden het foutief ingevulde rechtmatigheidsformulier te corrigeren, hetgeen door verweerder werd geweigerd. Eiser ontkent dat er sprake is van opzet.
Eiser stelt dat hij in juni 2001 een periode van drie weken heeft gewerkt aan bovengenoemd adres, in totaal betreft het 60 uur tegen een uurloon van € 5,67, in totaal €340,34 netto. Dit is overeenkomstig de verklaring van de heer Z door verweerder overgelegd. Dit geld heeft eiser pas in eind juli 2001 contant ontvangen. Eiser ontkent de stelling van verweerder dat niet is aangetoond hoeveel uren eiser in bedoelde periode heeft gewerkt en welke inkomsten hij hieruit gegenereerd heeft.
Eiser ontkent derhalve dat hij in strijd heeft gehandeld met artikel 65 van Pro de Abw. Op grond van bovenstaande had verweerder niet mogen overgaan tot volledige intrekking van de uitkering vanaf juni 2001.
Verweerder heeft pas op 25 september 2001 het intrekkingbesluit verzonden. In deze tussenliggende periode wist eiser niet waar hij aan toe was en is hij zwaar in zijn primaire levensbehoefte geschaad. Verweerder heeft hier wederom niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen.
Verweerder heeft niet alle bij het besluit betrokken belangen rechtstreeks afgewogen. Eiser acht de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig in verhouding met de in het besluit te dienen doelen.
4. Het verweer.
In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht, dat het intrekken van eisers uitkering met ingang van 1 juni 2001 enkel het gevolg is van het feit dat eiser verzuimd heeft bewijsstukken te overleggen van de door hem verrichte werkzaamheden vanaf 1 juni en de inkomsten daaruit. Het is immers aan eiser om feiten te stellen en aannemelijk te maken waaruit kan worden afgeleid dat hij recht had op bijstand. Eiser heeft echter tegenover verweerder verklaard deze bewijsstukken niet te kunnen leveren. Als gevolg hiervan kon derhalve het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
De verklaring van de heer Z kan niet gelden als bewijs, nu hij niet de werkgever was en alleen de werkgever een dergelijke verklaring kan afgeven. Bovendien houdt de verklaring slechts een indicatie in. Wel blijkt uit de verklaring dat eiser ook in juli werkzaamheden heeft verricht.
Voor het overige heeft verweerder verwezen naar de stukken.
5. De beoordeling.
Thans is in geding of het besluit van 18 december 2001 in rechte kan worden gehandhaafd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de beantwoording van de vraag of verweerder terecht en op goede gronden tot intrekking van de uitkering is overgegaan per 1 juni 2001 in verband met het in strijd handelen met artikel 65 van Pro de Abw.
De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.
Ingevolge artikel 7, eerste lid van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Ingevolge artikel 14, eerste lid van de Abw weigeren burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk, indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, dan wel in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking, de verplichting bedoeld in artikel 8, zesde lid, onder b, artikel 65, eerste lid, niet binnen de door burgemeester en wethouders daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, dan wel een verplichting als bedoeld in artikel 65, derde lid of vierde lid, artikel 70, vierde lid, of op grond van hoofdstuk VIII aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Artikel 14b, eerste lid van de Abw bepaalt dat indien burgemeester en wethouders jegens de belanghebbende een handeling verrichten waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De belanghebbende wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
In artikel 65, eerste lid, van de Abw is bepaald dat de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.
Ingevolge artikel 65, tweede lid van de Abw maakt de belanghebbende voor de verstrekking van gegevens gebruik van een door burgemeester en wethouders verstrekt formulier.
Ingevolge artikel 65, derde lid, van de Abw is de belanghebbende verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Ingevolge artikel 66, eerste lid, van de Abw bepalen burgemeester en wethouders welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval dienen te worden verstrekt en welke bewijsstukken dienen te worden overgelegd.
Het tweede lid van dit artikel geeft aan dat burgemeester en wethouders de wijze en het tijdstip bepalen waarop de verstrekking van gegevens dient plaats te vinden.
Artikel 69, derde lid, van de Abw bepaalt dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, burgemeester en wethouders een dergelijk besluit herzien of intrekken:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden, als bedoeld in artikel 7 van Pro de Abw. Volgens de inlichtingenplicht moet voldoende duidelijkheid worden verschaft over o.a. de woon- en leefsituatie. Staat vast dat het recht op bijstand niet of niet met voldoende mate van zekerheid kan worden beoordeeld, of blijkt dat de beoordeling achteraf onjuist moet worden geacht, wegens onjuiste of onvolledige inlichtingen, dan is volgens vaste jurisprudentie een rechtsgrond om de bijstand volgens artikel 65 juncto Pro 7 van de Abw te weigeren of te beëindigen Deze bepalingen worden in onderlinge samenhang in de praktijk vooral gebruikt wanneer de situatie niet voldoende duidelijk is en het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, zoals in onderhavige zaak.
In onderhavige zaak is niet in geschil dat er werkzaamheden zijn verricht in de maand juni 2001 en dat deze niet vermeld zijn op het rechtmatigheidsformulier van die maand. Eiser heeft aldus niet onverwijld mededeling gedaan van de werkzaamheden die hij in juni verrichtte, het feit dat hij niet meer bekend was met de regelgeving in Nederland en dat hij pas in juli de inkomsten hieruit genoot doet hier niet aan af. Er is onduidelijkheid ontstaan over de omvang van de werkzaamheden en de verdiensten die eiser hiermee had. Nu aldus onvoldoende inzicht bestond in de middelen waarover eiser beschikte of redelijkerwijs had kunnen beschikken, komt dit voor zijn risico aangezien dan niet met voldoende zekerheid te beoordelen valt of en zo ja, in hoeverre in de in geding zijnde periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.
Met betrekking tot de vraag of eiser door bij primair besluit van 19 september 2001de bijstand met ingang van 1 juni 2001 te beëindigen het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden overweegt de rechtbank het volgende.
Naar vaste jurisprudentie behoort uit een oogpunt van rechtszekerheid de beëindiging van een periodieke bijstandsuitkering niet eerder in te gaan dan op de datum waarop betrokkene van het daartoe strekkende besluit heeft kunnen kennisnemen of zoveel eerder als betrokkene van deze beëindiging in kennis is gesteld. In verband hiermee is de rechtbank van oordeel dat het in dit geval geen bezwaar ontmoet dat aan eiser telefonisch reeds is medegedeeld dat de aan hem verleende bijstand per 1 juni 2001 zou worden geblokkeerd. Tegen deze feitelijke beëindiging heeft eiser overigens geen bezwaar ingediend. De rechtbank merkt hierbij wel op dat het niet van zorgvuldige besluitvorming getuigt dat verweerder eerst in september 2001 met het beëindigingbesluit komt.
Gesteld en niet bestreden is dat er geen cautie is verleend. In de toelichting bij artikel 14b van de Abw staat vermeld dat de cautieverplichting alleen geldt in mondelinge verhoorsituaties omdat hierdoor voorkomen wordt dat als gevolg van de directe en persoonlijke confrontatie tussen ondervrager en ondervraagde bij een mondeling verhoor, de ondervraagde zich door de met die confrontatie gepaard gaande psychische druk verplicht voelt om de hem gestelde vragen direct te beantwoorden, terwijl hij niet tot antwoorden verplicht is. Overigens zij opgemerkt dat artikel 6 van Pro het EVRM de cautie niet verplicht stelt, zelfs niet in mondelinge situaties.
Wel kan uit jurisprudentie van de Hoge Raad worden afgeleid dat het moet gaan om ondubbelzinnige handelingen jegens de belanghebbende die er in redelijkheid geen twijfel over laten bestaan dat het voornemen tot oplegging van een boete aanwezig is.
In casu gaat de rechtbank ervanuit dat verweerder na de verklaring afgelegd door de heer Z het voornemen had eiser een boete op te leggen of anderszins, in ieder geval dat er sprake was van een situatie waarin de cautie verleend had dienen te worden.
De rechtbank is derhalve dan ook van oordeel dat verweerder hier onzorgvuldig gehandeld heeft. Ook het feit dat er van het verhoor van eiser op 6 juli 2001 geen proces verbaal is opgemaakt getuigt van onzorgvuldige voorbereiding van het besluit.
Het bestreden besluit kan op grond van bovenstaande overweging en wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb niet in stand blijven.
De rechtbank ziet echter gronden aanwezig om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 18 december 2001 in stand te laten.
De rechtbank overweegt daartoe –onder verwijzing naar het hiervoor overwogene- dat voldoende aannemelijk is geworden dat eiser in de maand juni werkzaamheden heeft verricht en dat eiser onvoldoende inzicht heeft verschaft in de middelen waarover hij beschikte of redelijkerwijs had kunnen beschikken, zodat verweerder niet met voldoende zekerheid kon beoordelen of en zo ja, in hoeverre in de in geding zijnde periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.
Dit leidt tot het oordeel dat verweerder terecht met ingang van 1 juni 2001 de uitkering van eiser heeft beëindigd
De rechtbank acht tenslotte termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.
Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
De rechtbank kent ter zake 2 punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.
Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.
Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.
III. BESLISSING.
De rechtbank Maastricht:
1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 18 december 2001 en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
2. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,-- wordt vergoed door de gemeente Brunssum;
3. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,-- (kosten van rechtsbijstand), te betalen door de gemeente Brunssum aan de griffier van de rechtbank Maastricht.
Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. M.J.G.E. Wolters
als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2002 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. M. Wolters w.g. J. Sleddens
Voor eensluidend afschrift,
de wnd. griffier,
Verzonden: 9 oktober 2002
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.