ECLI:NL:RBMAA:2002:AF2585
Rechtbank Maastricht
- Kort geding
- Sijmonsma
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens verjaring in geschil over optie-overeenkomst onroerend goed tussen vader en zoon
Eiser heeft van zijn vader in 1981 een pand gekocht en wilde daarnaast een naastgelegen perceel grond kopen dat door de vader was gekocht van een derde partij. Eiser stelt dat er een mondelinge optie-overeenkomst was waarbij de vader het perceel zou kopen en later aan eiser zou verkopen zodra hij over voldoende middelen beschikte. De vader verkocht het perceel echter aan derden, waarna eiser schadevergoeding vorderde wegens niet-nakoming van deze afspraak.
De vader betwist het bestaan van de optie-overeenkomst en voert verjaring aan op grond van artikel 3:310 BW Pro, omdat eiser vanaf 1992 op de hoogte was van de verkoop aan derden en pas in 2001 aansprakelijk stelde. Daarnaast voert de vader aan dat de overeenkomst nietig zou zijn wegens ontbreken van een notariële akte en dat de schade niet is onderbouwd.
De rechtbank oordeelt dat de vordering verjaard is omdat eiser onvoldoende heeft gesteld dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit. De briefwisseling tussen rechtsverzekeraars over een lening uit 1981 kan niet worden aangemerkt als een stuitingshandeling voor de schadevordering. De overige verweren behoeven geen bespreking meer. De rechtbank wijst de vordering af en compenseert de proceskosten vanwege de familierelatie.
Uitkomst: De vordering van eiser wordt afgewezen wegens verjaring.