ECLI:NL:RBMAA:2003:AF4120
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Sijmonsma
- Rechtspraak.nl
Vordering tot betaling wegens kwijtschelding in nalatenschap tussen broer en zus
De rechtbank Maastricht behandelde vier aan elkaar verbonden zaken tussen broer en zus over een vordering tot betaling van een bedrag van f 5.347,68 vermeerderd met wettelijke rente. De vordering betreft een kwijtschelding van een deel van de koopsom van een huis dat de moeder van partijen aan gedaagde had verkocht. De moeder was onterfd door het testament van 1988 en had het huis medio 1992 verkocht waarbij een kwijtschelding van f 43.890,23 was overeengekomen.
Gedaagde voerde meerdere verweren, waaronder dat de kwijtschelding een natuurlijke verbintenis betrof, dat eisers hadden berust in hun onterving door langdurig stilzitten, dat de vordering verjaard was, dat de vordering in strijd was met redelijkheid en billijkheid, en dat de vordering eigenlijk een nalatenschapsverdeling betrof. De rechtbank verwierp deze verweren, onder meer omdat stilzitten niet automatisch berusting betekent, de verjaring niet was onderbouwd, en de notariële akte dwingende bewijskracht heeft.
De rechtbank oordeelde dat de kwijtschelding daadwerkelijk een vordering tot betaling inhoudt en dat gedaagde onvoldoende had onderbouwd dat hij het bedrag volledig had voldaan als natuurlijke verbintenis. Gezien het ontbreken van andere goederen in de nalatenschap en het feit dat het geschil enkel over deze kwijtschelding gaat, was het niet nodig een uitgebreide nalatenschapsverdeling te volgen.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van het gevorderde bedrag aan eisers, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 december 1997, en compenseerde de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van f 5.347,68 aan eisers met wettelijke rente, proceskosten worden gecompenseerd.