ECLI:NL:RBMAA:2003:AF4136
Rechtbank Maastricht
- Kort geding
- P.J.M. Bruijnzeels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen BTC tegen Vodafone inzake beëindiging agentuurovereenkomst
BTC en Vodafone waren partijen bij een agentuurovereenkomst die sinds 1 januari 2001 voor onbepaalde tijd liep. Vodafone zegde deze overeenkomst op 29 november 2002 op met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, ingaande 1 maart 2003. BTC stelde dat Vodafone tekort was geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en dat de opzegging onrechtmatig was, onder meer omdat er geen dringende reden was en omdat Vodafone klanten van BTC rechtstreeks benaderde.
Vodafone betwistte deze stellingen en stelde dat de opzegging rechtsgeldig was en dat zij niet gehouden was tot het betalen van een goodwillvergoeding aan BTC. De kantonrechter oordeelde dat Vodafone de overeenkomst rechtsgeldig had opgezegd met inachtneming van de contractueel overeengekomen opzegtermijn. Er was geen sprake van dringende reden die een onmiddellijke beëindiging rechtvaardigde, zodat de opzegging niet onregelmatig was.
De rechtbank stelde vast dat het geschil over een eventuele goodwillvergoeding en andere vergoedingen niet in dit kort geding kon worden beslecht, maar in een bodemprocedure. De vorderingen van BTC werden daarom afgewezen en BTC werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van BTC af en bevestigt de rechtmatigheid van de opzegging door Vodafone.