ECLI:NL:RBMAA:2003:AF4226
Rechtbank Maastricht
- Voorlopige voorziening
- J.N.F. Sleddens
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen intrekking horeca-exploitatievergunning wegens niet-aanwezigheid leidinggevende
Verzoeker exploiteert een horecagelegenheid en ontving een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet. Na twee controles waarbij verzoeker niet aanwezig was in het café terwijl dit geopend was, besloot verweerder de vergunning per direct in te trekken. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit tot intrekking formele gebreken vertoont, waaronder het niet schriftelijk mededelen van het voornemen tot intrekking en het ontbreken van een kenbare motivering. Ook is de hoorplicht niet correct nageleefd, omdat verzoeker slechts telefonisch werd gehoord terwijl dit volgens de Awb in een persoonlijk gesprek had moeten gebeuren.
Voorts is de onmiddellijke intrekking in strijd met artikel 31, vierde lid, van de Drank- en Horecawet, dat voorschrijft dat intrekking pas een maand na schriftelijke mededeling kan plaatsvinden, tenzij het de persoon van de vergunninghouder betreft, wat hier niet het geval is.
Gezien deze tekortkomingen acht de voorzieningenrechter het bestreden besluit niet houdbaar en wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, waardoor de vergunning voorlopig blijft gelden. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de horeca-exploitatievergunning wordt geschorst en de gemeente wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.