ECLI:NL:RBMAA:2003:AF8517
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking horeca-exploitatievergunning wegens niet voldoen aan levensgedrag-eisen
Eiser exploiteerde een horeca-inrichting waarvoor hem een vergunning was verleend op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Verweerder trok deze vergunning per 3 juni 2002 in omdat eiser niet langer voldeed aan de levensgedrag-eisen zoals gesteld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999. Eiser maakte bezwaar en stelde onder meer dat er geen volledige heroverweging had plaatsgevonden, dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden, en dat hij mocht vertrouwen op het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht had geoordeeld dat eiser niet voldeed aan de eisen, mede gelet op eerdere veroordelingen en de sluiting van de horecagelegenheid in 1998. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat een onjuist besluit in een andere zaak niet tot navolging mag leiden. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat eerdere vergunningen onterecht waren verleend en dit kon worden hersteld door intrekking.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit rechtsmatig was genomen, dat de APV niet in strijd is met de Opiumwet en dat eiser verwijtbaar was voor de overtredingen die tot de sluiting hadden geleid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de horeca-exploitatievergunning wordt ongegrond verklaard.