ECLI:NL:RBMAA:2003:AF9165
Rechtbank Maastricht
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens te late indiening gronden
Opposant diende een beroepschrift in tegen een besluit van 25 oktober 2002. De rechtbank stelde vast dat het beroepschrift niet voldeed aan de eis dat het de gronden van het beroep moest bevatten en gaf een hersteltermijn van vier weken. De gronden werden op 7 januari 2003 bij de griffie ingediend, terwijl de termijn eindigde op 6 januari 2003.
Opposant beriep zich op de verzendtheorie, die inhoudt dat een beroepschrift dat op de laatste dag wordt verzonden als tijdig wordt beschouwd. De rechtbank oordeelde echter dat de verzendtheorie niet van toepassing is als het beroepschrift niet per post maar persoonlijk bij de griffie wordt ingediend na de termijn.
De rechtbank overwoog dat geen sluitend bewijs kon worden geleverd dat het aanvullend beroepschrift tijdig was ingediend. Ook achtte zij dat opposant het risico van late indiening zelf moest dragen, mede omdat er ruim tien weken waren verstreken sinds het besluit om tijdig summiere gronden te kunnen indienen.
Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in stand.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat het aanvullend beroepschrift niet tijdig is ingediend.