ECLI:NL:RBMAA:2003:AI0919
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de hoogte van de WW-uitkering na ontslag en aansluitende andere dienstbetrekking met loonverlies
In deze zaak heeft de Rechtbank Maastricht op 28 juli 2003 uitspraak gedaan over de hoogte van de WW-uitkering van eiser, die sinds 15 augustus 1994 in dienst was bij X B.V. Eiser had zijn werkzaamheden als onderhoudstimmerman op 31 december 1997 gestaakt vanwege medische klachten en was op 1 maart 1999 overgestapt naar een functie als magazijnmedewerker tegen een lager loon. Eiser raakte per 20 februari 2001 uitgevallen en diende een aanvraag in voor een werkloosheidsuitkering. De verweerder, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, kende eiser een loongerelateerde en vervolguitkering toe, maar stelde het dagloon vast op basis van de functie als magazijnmedewerker, wat resulteerde in een lagere uitkering dan eiser had verwacht op basis van zijn eerdere functie als timmerman.
Eiser ging in bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn WW-dagloon op basis van zijn eerdere functie als timmerman vastgesteld moest worden. De verweerder verklaarde het bezwaar ongegrond, met de redenering dat er geen sprake was van een ontslag, aangezien de dienstbetrekking niet was beëindigd. Eiser voerde aan dat de ontbinding van zijn oude arbeidscontract bij de aanvaarding van het nieuwe contract gelijk stond aan ontslag.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit niet deugdelijke motivering had en dat artikel 17 van de Dagloonregels WW wel degelijk van toepassing was. De rechtbank vernietigde het besluit van de verweerder en droeg deze op om een nieuw besluit te nemen, waarbij de kosten van de procedure aan eiser werden vergoed. De rechtbank benadrukte dat de regeling ook van toepassing is bij aanvaarding van nieuw werk bij dezelfde werkgever, en dat de omstandigheden van de zaak wezenlijk wezenlijk waren voor de beoordeling van de WW-uitkering.