ECLI:NL:RBMAA:2003:AM3297

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
8 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
66400 - HA ZA 01-539
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 177 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens ontbreken causaal verband tussen vermelding en niet-plaatsing in WSW

In deze civiele zaak vordert eiser schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige vermelding op zijn kandidatenkaart, die zou hebben geleid tot het niet verkrijgen van een baan in WSW-verband. De rechtbank achtte in een tussenvonnis voorshands aannemelijk dat eiser schade leed door deze vermelding en stond toe dat gedaagde, het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg (OZL), tegenbewijs leverde.

Na het horen van getuigen en het bestuderen van het bewijs concludeert de rechtbank dat OZL geslaagd is in het ontzenuwen van het vermoeden van causaal verband. De niet-plaatsing kan ook zijn veroorzaakt door de psychische gesteldheid van eiser en de beperkte plaatsingsmogelijkheden destijds.

De verklaring van een betrokken getuige bevestigt dat de psychische handicap van eiser doorslaggevend was en niet de vermelding op de kandidatenkaart. Andere getuigen bevestigden de beperkte beschikbaarheid van arbeidsplaatsen. Gezien de bewijslast rustend op eiser, is het causaal verband niet vastgesteld.

De rechtbank wijst daarom de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten van OZL.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af omdat het causaal verband tussen de vermelding en het niet verkrijgen van een baan niet is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Civiel
Vonnis : 8 oktober 2003
Zaaknummer : 66400 / HA ZA 01-539
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
procureur mr. E.H.J.M. Dohmen;
tegen:
het openbaarhet rechtspersoonlijkheid bezittende lichaam het WERKVOORZIENINGSCHAP OOSTELIJK ZUID-LIMBURG,
gevestigd te Heerlen,
gedaagde,
procureur mr. C.A.H. Lemmens.
1. Het verdere verloop van de procedure
Ter voldoening aan de OZL in het tussenvonnis van 18 juli 2002 verstrekte bewijsopdracht heeft OZL drie getuigen doen horen. [Eiser] heeft in contra-enquête één getuige doen horen. Van deze getuigenverhoren zijn processen-verbaal opgemaakt die zich bij de stukken bevinden.
De rechter(-commissaris) ten overstaan van wie de getuigen zijn gehoord, is niet in staat aan deze uitspraak medewerking te verlenen, nu hij niet langer werkzaam is binnen deze rechtbank.
[Eiser] heeft vervolgens een conclusie na enquête genomen, waarbij een productie in het geding werd gebracht.
Daarop heeft OZL een antwoordconclusie na enquête genomen.
Ten slotte hebben partijen wederom vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
2.1
Bij voormeld tussenvonnis, waarbij de rechtbank volhardt, heeft de rechtbank overwogen dat zij voorshands aannemelijk achtte dat [Eiser] schade heeft geleden in de vorm van verdiencapaciteit omdat hem de mogelijkheid is ontnomen op een baan in WSW-verband door het onrechtmatig opnemen van de zin "vader psychopaat / zo vader, zo zoon". In verband daarmee werd OZL toegelaten tegen die aanname tegenbewijs te leveren, in dier voege dat OZL mocht bewijzen dat [Eiser] de baan in WSW-verband ook niet zou hebben gekregen, indien de desbetreffende zin "vader psychopaat / zo vader, zo zoon" niet op zijn kandidatenkaart was vermeld.
2.2
De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast van het door OZL betwiste causaal verband tussen vermelding van voornoemde zin en het niet krijgen van een baan, gelet op het feit dat in het tussenvonnis een vermoeden van causaal verband is aangenomen, conform de hoofdregel van art. 177 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) op [Eiser] is blijven rusten.
Om het al dan niet slagen van OZL in het tegenbewijs te beoordelen dient derhalve de vraag te worden beantwoord of OZL dat vermoeden heeft weten te ontzenuwen.
2.3
De rechtbank is van oordeel dat OZL daarin geslaagd is en dat voormelde aanname van causaal verband geen stand houdt. Na bewijslevering sluit de rechtbank immers niet uit dat het niet aan de zin "vader psychopaat / zo vader, zo zoon" heeft gelegen, dat [Eiser] niet geplaatst is voor werk in WSW-verband. Naar de overtuiging van de rechtbank kan niet plaatsing namelijk ook gelegen hebben aan de psychische gesteldheid van [Eiser] in alle aspecten bezien en/of de zeer geringe plaatsingsmogelijkheden die op dat moment bestonden. Gezien de op [Eiser] rustende bewijslast is het causale verband in rechte dus niet komen vast te staan.
2.4
De rechtbank is tot dat oordeel gekomen op grond van de verklaring van de in enquête gehoorde getuige [S.], destijds in dienst van OZL en betrokken geweest bij de selectie van [Eiser]. Alhoewel hij heeft verklaard dat hij ervan uitging dat [Eiser] een psychopaat was, waarmee met de plaatsing rekening werd gehouden, blijkt uit zijn verklaring ook dat het in 1985 moeilijk was om personen die tot de personenkring behoorden (zoals [Eiser]) te plaatsen vanwege volumebeperkende maatregelen die de overheid had genomen. Ook heeft hij uitdrukkelijk verklaard dat [Eiser]s psychische handicap deel uit maakte van de kans van slagen voor de plaatsing en dat dat niet door de opmerking op de kandidatenkaart kwam, maar door zijn totale psychische gesteldheid.
2.5
De overige in enquête en in contra-enquête gehoorde getuigen hebben niets verklaard met betrekking tot de reden van niet-plaatsing van [Eiser]. Wel hebben getuige [D.] en [M.] bevestigd dat, zoals [S.] heeft verklaard, er destijds veel meer te plaatsen kandidaten op de wachtlijst stonden dan dat er arbeidsplaatsen beschikbaar waren.
2.6
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering zal worden afgewezen. [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van OZL dienen te dragen.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt [Eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van OZL gevallen en tot op heden begroot op:
vast recht € 182,00
getuigentaxen € 189,20
salaris procureur 1.560,00
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. de Kerpel-van de Poel, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.