ECLI:NL:RBMAA:2003:AO1048
Rechtbank Maastricht
- Raadkamer
- A.M.A. Eijck
- E.W.A. van den Berg
- M.J.M. Goessen
- Rechtspraak.nl
Inbewaringstelling verdachte na hoger beroep wegens ernstige bezwaren en vrees voor herhaling
Op 24 november 2003 wees de rechter-commissaris de vordering tot inbewaringstelling van verdachte af wegens onvoldoende ernstige bezwaren. De rechter-commissaris oordeelde dat het gooien met een lamp onvoldoende was voor poging tot doodslag en dat er onduidelijkheid bestond over de feiten en woonplaats van verdachte.
De officier van justitie stelde hiertegen op 1 december 2003 hoger beroep in en vorderde vernietiging van de afwijzing. Op 4 december 2003 vond een zitting plaats waarbij de officier van justitie en de raadsman van verdachte werden gehoord; verdachte zelf verscheen niet.
De raadkamer oordeelde dat er wel ernstige bezwaren bestonden tegen verdachte, onder meer vanwege zijn gedragingen die een groot gebrek aan normbesef toonden, en dat er vrees voor herhaling was. De raadkamer bevestigde dat de rechter-commissaris gebonden is aan de vordering van de officier van justitie en dat in hoger beroep de vordering kan worden gewijzigd en uitgebreid.
Op grond hiervan beveelt de raadkamer de inbewaringstelling van verdachte. De beschikking is gewezen op 8 december 2003 door de raadkamer van de rechtbank Maastricht, bestaande uit drie rechters.
Uitkomst: De raadkamer beveelt de inbewaringstelling van verdachte wegens ernstige bezwaren en vrees voor herhaling.