ECLI:NL:RBMAA:2003:AT4457
Rechtbank Maastricht
- Verzet
- B.A.J. Broekman
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering erven tegen gemeente inzake kwijtschelding gemeentelijke belastingen
De erven van een overleden belastingplichtige hebben de gemeente gedagvaard voor betaling van een bedrag dat zij onverschuldigd zouden hebben betaald aan gemeentelijke belastingen, gebaseerd op een vermeend recht op kwijtschelding van de aanslag over 2000.
De gemeente stelde zich op het standpunt dat de dagvaarding niet rechtsgeldig was, omdat niet de bevoegde gemeenteambtenaar maar de gemeente zelf was gedagvaard, en dat de vordering daarom niet ontvankelijk moest worden verklaard. Tevens werd aangevoerd dat de gemeente tijdig verzet had ingesteld tegen een eerder verstekvonnis.
De rechtbank oordeelde dat op grond van de Invorderingswet 1990 en de Gemeentewet alleen de gemeenteambtenaar belast met de invordering bevoegd is om in rechte op te treden en gedagvaard te worden. De dagvaarding was niet correct, waardoor de vordering niet ontvankelijk is. Ook werd vastgesteld dat de erven zich terecht tot de burgerlijke rechter konden wenden, ondanks het ontbreken van een beroepsmogelijkheid tegen de kwijtscheldingsbeslissing.
De rechtbank ontheft de gemeente van de verstekvonnisveroordeling en verklaart de vordering van de erven niet ontvankelijk, terwijl de gemeente in reconventie eveneens niet ontvankelijk wordt verklaard. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De vordering van de erven wordt niet ontvankelijk verklaard wegens onjuiste dagvaarding; de gemeente wordt ontheven van de verstekvonnisveroordeling.