ECLI:NL:RBMAA:2004:AO5873
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Sijmonsma
- De Kerpel-Van de Poel
- Quaedvlieg
- Rechtspraak.nl
Verdeling stamrechtovereenkomst na overlijden en wijziging echtgenoot
In deze civiele zaak gaat het om de vraag wie gerechtigd is tot de uitkering van een stamrechtlijfrente na het overlijden van de oorspronkelijke rechthebbende, [B.]. De stamrechtovereenkomst werd gesloten in 1974 tussen [B.] en de rechtsvoorgangster van gedaagde, met een beding dat de lijfrente zou worden uitgekeerd aan de inbrenger en diens echtgenote tot het overlijden van de langstlevende.
Na het overlijden van [B.] in 2001 ontstond onduidelijkheid of de ex-echtgenote [S.], die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst echtgenote was, of de latere echtgenote, eiseres, gerechtigd was tot de uitkering. Gedaagde weigerde uitkering aan eiseres, stellende dat alleen [S.] als rechthebbende kan worden aangemerkt.
De rechtbank overweegt dat de overeenkomst een derdenbeding bevat dat door [S.] is aanvaard, maar dat zij geen partij is bij de overeenkomst. De uitleg van het begrip 'echtgenote' in de overeenkomst wordt beoordeeld aan de hand van de Haviltex-formule. De rechtbank stelt vast dat de term kwalitatief en niet persoonsgebonden is, maar dat de belangen van gedaagde bij het sluiten van de overeenkomst mede afhankelijk waren van de levensverwachting van de toenmalige echtgenote [S.].
Daarom moet worden aangenomen dat de bedoeling was dat de echtgenote ten tijde van het sluiten van de overeenkomst of het openvallen van het stamrecht de rechthebbende blijft. De vordering van eiseres wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiseres af en bevestigt dat alleen de echtgenote ten tijde van het sluiten van de stamrechtovereenkomst gerechtigd is tot de stamrechtuitkering.