Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMAA:2004:AR2921

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
13 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/537 WAO
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.G.M. Jansberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 75 WAOArt. 24 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993Art. 8:42 AwbArt. 8:70 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag eigen risicodragerschap wegens ontbreken originele garantieverklaring

Eiseres, DSM Limburg BV, verzocht op 26 september 2003 om toestemming om per 1 januari 2004 eigen risicodrager te worden conform artikel 75 van Pro de WAO. Verweerder stelde dat de aanvraag niet voldeed aan de formele vereisten omdat de originele garantieverklaring van de verzekeraar ontbrak op het moment van aanvraag. Eiseres kreeg de gelegenheid dit te herstellen, maar de garantieverklaring van DSM Schadeverzekeringsmaatschappij NV was op dat moment nog niet geldig omdat de vereiste vergunning pas op 10 december 2003 was verleend.

Verweerder nam de aanvraag daarom niet in behandeling en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiseres stelde dat de vergunning inmiddels was toegekend en dat verweerder ten onrechte het eigen risicodragerschap had geweigerd. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag tijdig en volledig moest zijn, inclusief een geldige garantieverklaring van een verzekeraar met de vereiste vergunning op het moment van aanvraag. Omdat dit niet het geval was, was de afwijzing terecht.

De rechtbank handhaafde het besluit van verweerder en verklaarde het beroep ongegrond. Het beroep kon niet slagen omdat eiseres niet voldeed aan de wettelijke eisen voor eigen risicodragerschap op het moment van de aanvraag.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de aanvraag eigen risicodragerschap wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Reg.nr.: AWB 04 / 537 WAO
UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen
DSM Limburg BV te Geleen, eiseres,
en
Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -Amsterdam Bos & Lommer-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.
Datum bestreden besluit: 5 maart 2004.
Kenmerk: BBK/NIJ P.201.032.55 Wg. 027-121.307.78-01.
Behandeling ter zitting: 2 juli 2004.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 5 maart 2004 heeft verweerder een namens eiseres ingediend bezwaarschrift van 5 december 2003 tegen een door verweerder genomen besluit van 12 november 2003 ongegrond verklaard.
Tegen eerstgenoemd besluit heeft op 14 april 2004, mw. mr. C.C.M. Beaumont, namens eiseres beroep ingesteld.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 2 juli 2004. Eiseres heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door de gemachtigde mw. mr. C.C.M. Beaumont.
Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen dhr. mr. G. Kranendonk.
II. OVERWEGINGEN.
Op 26 september 2003 heeft eiseres conform hetgeen bepaald in artikel 75 van Pro de WAO toestemming gevraagd om per 1 januari 2004 eigen risicodrager te worden. De te overleggen garantie zoals bepaald in artikel 75 van Pro de WAO zal zo spoedig mogelijk volgen.
Omdat naar de opvatting van verweerder bij de aanvraag van 26 september 2003 een onjuiste garantieverklaring ontbrak, is eiseres door verweerder, bij brief van 10 oktober 2003 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen.
Eiseres heeft daarop op 6 november 2003 de garantiestelling ten behoeve van DSM Schadeverzekeringsmaatschappij NV toegestuurd, met daarop het stempel van deze verzekeringsmaatschappij.
Bij besluit van 12 november 2003 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen, omdat de aanvraag van 26 september 2003 voldeed aan de formele vereisten, wegens het ontbreken van een originele garantieverklaring.
Op 5 december 2003 wordt namens eiseres bezwaar gemaakt tegen bovengenoemd besluit. Namens eiseres wordt aangevoerd dat:
? DSM Schadeverzekeringsmaatschappij NV heeft de voor het eigen risicodragerschap benodigde modelgarantie voorgelegd aan de Pensioen- en Verzekeringskamer met het verzoek aan te geven over welke vergunning zij dient te beschikken teneinde te voldoen aan de gestelde eisen.
? DSM Schadeverzekeringsmaatschappij NV heeft het verzoek tot verkrijging van deze vergunning ingediend en toegekend gekregen.
? De administratieve verwerking van de toegekende vergunning is nog niet geheel afgerond. Om die reden is DSM Schadeverzekeringsmaatschappij nog niet opgenomen op de door verweerder gehanteerde lijst van erkende verzekeraars.
? Eiseres verzoekt om alsnog positief te reageren nu DSM Schadeverzekeringsmaatschappij NV toch zeker per 1 januari 2004 een door de Pensioen- en Verzekeringskamer erkende verzekeraar is.
Bij brief van 10 december 2003 heeft eiseres aan verweerder medegedeeld dat de hierboven genoemde vergunning per fax van 10 december 2003 is binnengekomen.
Bij het thans bestreden besluit van 5 maart 204 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt dat ma onderzoek bij de Pensioen- en Verzekeringskamer is gebleken dat op 10 december 2003 een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 is afgegeven. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat op 10 oktober 2003 DSM Schadeverzekeringsmaatschappij NV nog niet gerechtigd was om een arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten. Derhalve is op goede gronden de aanvraag niet in behandeling genomen aangezien de aanvraag niet voldeed aan de formele vereisten. Het bezwaar dient te falen.
In beroep is namens eiseres aangevoerd - kort gezegd – dat:
? er sprake is van strijd met de wet nu verweerder ten onrechte aan eiseres per 1 januari 2004 het eigen risicodragerschap heeft onthouden.
? er sprake is van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet door verweerder niet op alle omstandigheden van eiseres is ingegaan.
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. Centraal staat de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd de aanvraag van eiseres in behandeling te nemen onder de overweging dat de aanvraag niet voldoet aan de formele eisen van de wet.
Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.
In artikel 75 van Pro de WAO is bepaald aan welke voorwaarden een werkgever moet voldoen om als eigen risico drager te worden aangemerkt:
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verleent aan een werkgever op aanvraag
toestemming om het risico van betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zelf te dragen,
indien de werkgever een schriftelijke garantie overlegt, waaruit blijkt dat een kredietinstelling of een
verzekeraar zich jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verplicht, op het eerste
verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarbij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf
dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen. De
overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, voorzover door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister
van Financiën aangewezen, is ontheven van de verplichting tot het overleggen van een schriftelijke
garantie, bedoeld in de eerste zin. De toestemming wordt niet verleend gedurende drie jaren nadat
het door de werkgever zelf dragen van het in de eerste zin bedoelde risico is beëindigd.
2. Onder een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan een op grond van artikel
52, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 geregistreerde kredietinstelling als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.
3. Onder een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan een verzekeraar:
1°. die in het bezit is van de op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993 vereiste vergunning of heeft voldaan aan de op grond van de artikelen
37 of 38 van die wet vereiste procedure met betrekking tot een bijkantoor in Nederland; of
2°. die heeft voldaan aan de vereiste procedure, bedoeld in de artikelen 111, eerste lid, onderdelen
a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste lid, onderdelen a tot en met c,
of derde lid, of 118, tweede of vijfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 indien het
de aldaar bedoelde dienstverrichting naar Nederland betreft
6. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend met ingang van 1 januari of 1 juli van
enig jaar, mits de aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend.
Aan een startende werkgever wordt op zijn verzoek toestemming verleend met ingang van het
tijdstip waarop deze start.
Op grond van de stukken wordt vastgesteld dat DSM Schadeverzekeringsmaatschappij sedert 10 december 2003 in bezit is van de vereiste vergunning als bedoeld in artikel 75, derde lid, onder 1, van de WAO. DSM Schadeverzekeringsmaatschappij NV voldeed op de datum van de aanvraag dan ook niet aan de bovengenoemde vereisten. Blijkens het Besluit eigen risicodragen WAO (Besluit van 6 november 2002, Stcrt. 2002, 226). is bepalend voor de vraag of de aanvraag om toestemming tot eigen risicodragen tijdig is ingediend, de dag van ontvangst van de aanvraag door verweerder. Indien bij een aanvraag geen garantie is overgelegd wordt de werkgever in de gelegenheid gesteld een garantie over te leggen binnen een termijn eindigend acht weken voor 1 januari respectievelijk 1 juli aldus bijlage 1 van het bovengenoemde besluit.
Eiseres heeft weliswaar bij brief van 6 november 2003 als bijlage een garantieverklaring toegevoegd (gedingstuk B3.1), maar deze garantieverklaring was afkomstig van DSM Schadeverzekerings-maatschappij NV, welke op dat moment nog niet, gelet op het bepaalde in artikel 75, derde lid, onder 1, van de WAO, wettelijk gerechtigd was een dergelijke verzekering af te sluiten, aangezien eiseres op dat moment nog niet in bezit was van een vereiste vergunning op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Voorts valt eiseres niet onder een verzekeraar als bedoeld onder 2 van het bovengenoemde artikel, gezien het feit dat de statutaire zetel van eiseres is gevestigd in Geleen. Nu eiseres pas sedert 10 december 2003 een vergunning bezit als bedoeld in artikel 75, derde lid, van de WAO, en er derhalve geen sprake kan zijn van het indienen van een volledige aanvraag binnen de door de wet gestelde termijn, heeft verweerder terecht besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen, althans besloten dat het eigen risico niet per 1 januari 2004 een aanvang kan nemen.
Uit het vorenoverwogene volgt dat verweerder het bezwaarschrift bij het thans bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard, zodat dit besluit in stand moet worden gelaten.
Nu dit besluit ook overigens niet voor vernietiging in aanmerking komt, dient het beroep voor ongegrond te worden gehouden.
Hetgeen door of namens eiseres is aangevoerd heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht.
Op grond van artikel 8:70 van Pro de Awb wordt als volgt beslist.
III. BESLISSING.
De rechtbank Maastricht:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg in tegenwoordigheid van mr. H. Fokke
als griffier en in het openbaar uitgesproken op 07 september 2004 door mr. Jansberg voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. H. Fokke w.g. A.G.M. Jansberg
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
Verzonden: 13 september 2004
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.
Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.