AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten
Eiser ontvangt sinds januari 2003 een bijstandsuitkering voor alleenstaanden. Verweerder heeft bij besluit van november 2003 de uitkering herzien en teruggevorderd omdat eiser inkomsten uit arbeid via een uitzendbureau over april en mei 2003 niet heeft gemeld. Tevens is een boete van €231 opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
Eiser maakte bezwaar en voerde aan dat hij met de ontvangen bedragen eerdere tekorten heeft gecompenseerd en verzocht om een lening voor schulden. Verweerder verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank beoordeelt het geschil op basis van de Algemene bijstandswet, die op dat moment van toepassing was.
De rechtbank oordeelt dat eiser terecht is teruggevorderd omdat hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door de inkomsten niet te melden. Er zijn geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Ook de boete is passend en in overeenstemming met de wet- en regelgeving. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening, terugvordering en boete wordt bevestigd.
Uitspraak
RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Bestuursrecht
Procedurenummer: AWB 04 / 321 WWB
Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
inzake
[A],
wonende te Hoensbroek, eiser,
tegen
het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen,
gevestigd te Heerlen, verweerder.
Datum bestreden besluit: 20 januari 2004
Kenmerk: 01.21/030771-2-B/HB
Behandeling ter zitting: 4 oktober 2004
1. Ontstaan en loop van het geding
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 20 januari 2004 heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van 30 november 2003 tegen een door verweerder genomen besluit van 24 november 2003 op grond van de bepalingen van de Algemene bijstandswet (Abw) ongegrond verklaard.
Tegen eerstgenoemd besluit is door eiser bij schrijven van 27 februari 2004 beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij schrijven van 18 maart 2004 overgelegd.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.
Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 4 oktober 2004, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Bertholet.
2. Overwegingen
De feiten
Sedert 16 januari 2003 ontvangt eiser een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande.
Bij besluit van 24 november 2003 heeft verweerder deze uitkering herzien naar de voor hem geldende norm onder korting van zijn inkomsten uit arbeid. De ten onrechte uitbetaalde uitkering over die periode wordt van eiser teruggevorderd en bedraagt netto € 1.659,89 (bruto € 2.281,51). Voorts wordt eiser in kennis gesteld van de hoogte van de aan hem opgelegde boete: € 231.
Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op een onderzoek door de sociale recherche, waaruit is gebleken dat eiser geen melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden via het uitzendbureau Tempo Team over de periode van 1 april 2003 tot 1 juni 2003.
Bij brief van 30 november 2003 heeft eiser bij verweerder bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Daarbij heeft hij aangevoerd, dat hij in het verleden ten onrechte van verweerder geen geld heeft ontvangen. Met de thans ontvangen geld over de maanden april en mei 2003 heeft hij de daardoor ontstane tekorten gecompenseerd.
Voorts heeft eiser geen stimuleringspremie ontvangen en verzoekt hij om toekenning van een geldlening ad € 1.300 ter financiering van zijn schulden bij Essent.
Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid op het bezwaar te worden gehoord.
Het bestreden besluit
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat op grond van de artikelen 65, 69, 78 en 81 van de Abw terecht is overgegaan tot herziening en terugvordering van eisers uitkering, omdat eiser geen melding heeft gemaakt van het feit dat eiser over de periode van 1 april tot 1 juni 2003 inkomsten uit arbeid heeft gehad.
Tevens is op grond van voormelde feiten terecht - gelet op het bepaalde in artikel 14a van de Abw - een boete opgelegd ter hoogte van € 231.
Het beroep
Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe heeft hij aangevoerd, dat verweerder naar hem toe onjuist heeft gehandeld en dat hij ten onrechte geld moet terugbetalen.
Ter zitting heeft eiser zijn beroep onderbouwd met de gronden zoals die ook al in bezwaar kenbaar zijn gemaakt.
De beoordeling
De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.
Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling toe te komen stelt de rechtbank als volgt vast.
Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden en de Algemene bijstandswet ingetrokken.
Op grond van artikel 21, eerste lid, onder a, van de Invoeringswet WWB dient verweerder op het bezwaarschrift te beslissen met toepassing van de Algemene bijstandswet. Hieruit volgt dat de rechtbank het geschil aan de hand van die wet dient te beoordelen.
a. Herziening en terugvordering
Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.
Ingevolge artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw herzien burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand onder andere indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Op grond van het vijfde lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders afzien van herziening, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in onder andere artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw van de belanghebbende teruggevorderd.
Op grond van artikel 78, derde lid, van de Abw kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Uit het onderzoeksrapport van het bureau sociale recherche van september 2003 en de verkregen inlichtingen van het inlichtingenbureau (gegevensuitwisseling tussen de sociale diensten en onder andere de landelijke uitvoerders voor Werknemersverzekeringen en de Belastingdienst) blijkt genoegzaam dat eiser de inkomsten over de maanden april en mei 2003 nooit bij verweerder opgegeven. Eiser weerspreekt dit gegeven ook niet.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder dan ook terecht heeft geconcludeerd dat eiser over genoemde periode de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat hij derhalve te veel aan bijstandsuitkering heeft ontvangen.
Verweerder is dan ook op goede gronden overgegaan tot herziening van eisers recht op uitkering en terugvordering van de te veel betaalde uitkering.
De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen die zouden moeten leiden tot het geheel of gedeeltelijk afzien van herziening of terugvordering.
De omstandigheid dat eiser - naar zijn zeggen - te weinig uitkering zou hebben ontvangen kan niet als een dringende reden worden aangemerkt.
b. Boete
Gelet op artikel 2, aanhef en onder a, van het Inwerkingtredingsbesluit Wet werk en bijstand en Invoeringswet Wet werk en bijstand in combinatie met het gegeven dat de artikel 2, eerste lid, van de Invoeringsregeling WWB bedoelde verordeningen nog niet waren vastgesteld en in werking getreden, waren ten tijde van het thans bestreden besluit de artikelen 14a en volgende van de Abw nog van toepassing.
Ook met betrekking tot de door verweerder opgelegde boete is de rechtbank niet kunnen blijken dat daarbij is uitgegaan van onjuiste gegevens of anderszins onjuist is gehandeld. Wel stelt de rechtbank als volgt vast.
Inmiddels is door de raad van de gemeente Heerlen op 12 mei 2004 vastgesteld de Verordening Wet Werk en Bijstand (Verordening WWB), waarin opgenomen de verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Deze verordening is in werking getreden per 1 juni 2004. Verder is inmiddels door verweerder besloten toepassing te geven aan de bevoegdheid ingevolge de Invoeringsregeling WWB om vervroegd toepassing te geven aan de nog niet in werking getreden bepalingen van de WWB en de doorwerkende bepalingen van de Abw buiten toepassing te laten. Verweerder heeft dit besluit op 24 september 2004 op een geschikte wijze bekendgemaakt.
In navolging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2004 (JWWB 2004/274) dient de rechtbank thans te beoordelen of het thans bestreden besluit ook in het licht van artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten stand kan houden. De Raad heeft in deze uitspraak geoordeeld dat in gevallen, waarin voor een bepaalde gedraging oorspronkelijk een boete op grond van de toenmalige regelgeving is opgelegd die in de nadien tot stand gekomen regelgeving wordt vervangen door een andersoortige sanctie, deze laatste voor de toepassing van genoemd verdragsartikel moet worden geacht een 'penalty' te zijn in de zin van de daarin vervatte bepaling. De voor de betrokkene meest gunstige bepaling dient in dat geval toegepast te worden.
Artikel 14a, eerste lid, van de Abw draagt burgemeester en wethouders op een boete op te leggen van ten hoogste € 2.269, indien de belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te doen. De hoogte van de boete wordt ingevolge het tweede lid afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Op grond van het vierde lid kunnen burgemeester en wethouders besluiten af te zien van het opleggen van een boete, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het op artikel 14a, zevende lid, van de Abw gebaseerde Boetebesluit socialezekerheidswetten bedraagt de boete 10 procent van het benadelingsbedrag, doch ten minste € 45. Ingevolge het tweede lid wordt de boete afgerond op een veelvoud van € 11.
Verweerder heeft de boete vastgesteld op € 231.
Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Verordening WWB dient verweerder een maatregel op te leggen, indien de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te verstrekken. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder d, bedraagt de maatregel tien procent van de bijstandsnorm gedurende vier maanden bij een benadelingsbedrag van € 2.000 tot € 4.000.
De rechtbank stelt op basis van de gedingstukken en de op eiser toepasselijke norm, zoals die blijkt uit artikelen 21 en 25 van de WWB in samenhang met artikel 19 vanPro de Verordening WWB, vast dat de maatregel op grond van de verordening zou leiden tot een verlaging ad in totaal € 323,83. Gelet hierop houdt het bestreden besluit ook op dit punt stand.
Nu ook overigens de rechtbank niet is gebleken, dat het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, moet het beroep van eiser voor ongegrond worden gehouden.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 vanPro de Awb wordt als volgt beslist.
3. Beslissing
De rechtbank Maastricht:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen
als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2004.
w.g. C. Schrammen w.g. F.A.G.M. Vluggen
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
Verzonden: 7 december 2004
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.
Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.