ECLI:NL:RBMAA:2005:AU7658
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.F.W. Huinen
- M. Hillen
- A.W. Oosterman
- Rechtspraak.nl
Toelating tot beëdiging als advocaat ondanks strafrechtelijk onderzoek
Verzoeker diende een verzoek in om beëdigd te worden als advocaat en procureur. De raad van toezicht van de orde van advocaten in Maastricht had geen verzet aangetekend tegen de beëdiging. Het openbaar ministerie verzocht de rechtbank niet tot beëdiging over te gaan vanwege een lopend strafrechtelijk onderzoek naar ernstige feiten, waaronder valsheid in geschrift en bedrieglijke bankbreuk.
De rechtbank overwoog dat de wetgever het toezicht op advocaten primair bij de beroepsgroep heeft gelegd en dat de toetsing door de rechtbank terughoudend moet zijn. Gegronde vrees voor onbehoorlijk gedrag vereist niet per se een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling. De rechtbank concludeerde echter dat de raad van toezicht zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat onvoldoende gegronde vrees bestond om verzet te maken.
De rechtbank wees erop dat artikel 9 van Pro de Advocatenwet een vangnetbepaling bevat, waardoor de raad van toezicht binnen een jaar na beëdiging alsnog kan besluiten tot schrapping van het tableau indien blijkt dat verzoeker onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt.
Op basis van deze overwegingen besloot de rechtbank tot beëdiging van verzoeker als advocaat en procureur, ondanks het lopende strafrechtelijk onderzoek.
Uitkomst: De rechtbank besluit tot beëdiging van verzoeker als advocaat ondanks het lopende strafrechtelijk onderzoek.