ECLI:NL:RBMAA:2005:AU9581
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Binnebeke
- Eijck
- Hillen
- Rechtspraak.nl
Strafvermindering wegens schending redelijke termijn bij ontucht met minderjarig stiefkind
De rechtbank Maastricht heeft verdachte veroordeeld voor het meermalen plegen van ontucht met zijn minderjarig stiefkind in de periode van 5 januari 1999 tot 5 januari 2001. De feiten betroffen onder meer het binnendringen van de vagina, mond en anus van het slachtoffer en andere ontuchtige handelingen. De vervolging voor een tweede feit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het gerechtshof te 's-Hertogenbosch had bevolen dat alleen het feit waarop het klaagschrift van het slachtoffer betrekking had vervolgd mocht worden.
De rechtbank stelde vast dat het recht van verdachte op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn was geschonden, aangezien de termijn werd gerekend vanaf de eerste verhoor van verdachte op 23 oktober 2001 en de zaak pas in 2005 tot vervolging werd gebracht. Deze termijnoverschrijding leidde tot strafvermindering.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan de uitvoering werd opgeschort onder voorwaarden, waaronder een proeftijd van twee jaar met gedragsregels opgelegd door de reclassering, en een taakstraf van 240 uur met vervangende hechtenis bij niet-naleving. De officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard voor het tweede feit wegens schending van de vervolgingsbevoegdheid.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf met opschorting en taakstraf wegens ontucht met minderjarig stiefkind, met strafvermindering wegens schending redelijke termijn.