ECLI:NL:RBMAA:2005:AV3340

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
4 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
101534 / FA RK 05-577
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.T.M. Bröcker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:228 lid 1 sub b BWArt. 1:253 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gezamenlijke gezagsbelasting moeder en grootmoeder over minderjarig kind

De moeder van het minderjarige kind D, geboren op 22 juni 2002, heeft het alleenrecht op het gezag over het kind. De biologische vader heeft het gezin vóór de geboorte verlaten en heeft het kind niet erkend. De moeder en haar moeder, de grootmoeder van het kind, hebben gezamenlijk verzocht om samen belast te worden met het gezag over D, omdat de grootmoeder een nauwe persoonlijke relatie met het kind onderhoudt en een deel van de verzorging en opvoeding op zich neemt.

De rechtbank heeft dit verzoek behandeld en geoordeeld dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn om een grootmoeder van moederszijde samen met de moeder het gezag te geven, zeker nu de vader nog in leven is. De rechtbank kwalificeert het verzoek als een verkapt verzoek tot adoptie, hetgeen volgens artikel 1:228 lid 1 sub b BW Pro niet mogelijk is omdat het kind een kleinkind van de adoptant betreft.

Op basis hiervan wijst de rechtbank het verzoek af. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het hof heeft later bij beschikking van 31 januari 2006 het vonnis vernietigd en alsnog moeder en grootmoeder gezamenlijk met het gezag belast.

Uitkomst: Het verzoek om moeder en grootmoeder gezamenlijk met het gezag over het kind te belasten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Civiel
Datum uitspraak: 4 augustus 2005
Zaaknummer: 101534 / FA RK 05-577
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:
[moeder],
wonende te [woonplaats moeder]
en
[grootmoeder],
wonende te [woonplaats grootmoeder],
verzoeksters,
procureur mr. I.G. Schoones-Aarts
en:
[vader],
wederpartij, verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats man],
geen procureur.
1. Verloop van de procedure
De vrouw heeft op 20 mei 2005 een verzoekschrift tot wijziging in de uitoefening van het ouderlijk gezag ingediend.
De zaak is behandeld ter terechtzitting van 27 juli 2005.
De raad is ter zitting vertegenwoordigd door de heer P.J.M. van den Borne.
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.
2. Beoordeling
Verzoeksters hebben verzocht hen voortaan gezamenlijk te belasten met het gezag over de minderjarige [kind].
Verzoekster [moeder] heeft gedurende zeven jaar een relatie gehad met de man, uit welke relatie [kind] is geboren. De man heeft de vrouw vóór de geboorte van [kind] verlaten. Hij heeft het kind niet erkend.
Verzoekster [moeder] heeft alleen het gezag over [kind]. Zij wenst samen met haar moeder verzoekster [grootmoeder], grootmoeder van het kind, het gezamenlijk gezag over [kind] omdat verzoekster [grootmoeder] in een nauwe persoonlijke relatie tot haar kleinkind staat en dit kind voor een groot deel verzorgt en opvoedt alsmede een deel van de verantwoording ten aanzien van [kind] heeft gedragen en nog steeds draagt.
De met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat kunnen, op grond van artikel 1:253 t van het Burgerlijk Wetboek, de rechtbank verzoeken hen gezamenlijk met het gezag over het kind te belasten.
De raad, bij monde van de heer van den Borne, heeft tot afwijzing van het verzoek geadviseerd.
De rechtbank is van oordeel dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn, mede in aanmerking genomen dat de vader van [kind] nog in leven is, grootmoeder van moederszijde gezamenlijk met haar dochter met het gezag over [kind] te belasten.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat het onderhavige verzoek niet in het systeem van de wet past en dient te worden beschouwd als een - verkapt - verzoek tot adoptie.
Nu uit artikel 1:228 lid 1 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat één van de voorwaarden voor adoptie is dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek dient te worden afgewezen en zij zal dienovereenkomstig beslissen.
3. Beslissing
De rechtbank:
Wijst af het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.T.M. Bröcker, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2005 in tegenwoordigheid van H.P. Thevissen, griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.