ECLI:NL:RBMAA:2006:AV7756
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.J.M. Bruijnzeels
- Rechtspraak.nl
Geschil over loonbetaling en arbeidsduur op grond van rechtsvermoeden artikel 7:610b BW
Op 1 oktober 2000 is tussen eiser en Tence Uitzendbureau een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen waarbij eiser als verhuizer/bijrijder werd aangenomen met een arbeidsduur van 8 uur per week. De feitelijke gewerkte uren varieerden echter sterk, van 0 tot 41 uur per week. Eiser vordert betaling van loon over 149 uur per maand, gebaseerd op het gemiddelde aantal uren in de laatste zes maanden van 2004, en stelt dat hij na maart 2005 beschikbaar bleef terwijl hij niet werd opgeroepen.
De kantonrechter stelt vast dat artikel 7:610b BW van toepassing is, dat een rechtsvermoeden inhoudt dat de omvang van de arbeid gelijk is aan het gemiddelde van de drie voorafgaande maanden, en dat de door eiser gekozen referteperiode van zes maanden onjuist is. Het gemiddelde aantal uren over de laatste drie maanden van 2004 is vastgesteld op circa 128 uur per maand.
Tence betwist dat het rechtsvermoeden geldt en voert aan dat eiser de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en elders in dienst is getreden. Eiser betwist dit en stelt dat hij zich beschikbaar heeft gehouden. De rechtbank wijst bewijsopdrachten toe aan beide partijen: Tence moet bewijzen dat eiser de overeenkomst heeft opgezegd en dat hij meer uren is aangeboden dan hij heeft gewerkt; eiser moet bewijzen dat hij zich na april 2005 beschikbaar heeft gesteld.
De zaak wordt verwezen naar een getuigenverhoor en verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: De zaak is aangehouden en verwezen naar getuigenverhoren om bewijs te leveren over beschikbaarheid werknemer en beëindiging arbeidsovereenkomst.