AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geschil over naleving burenovereenkomst en erfgrens met betrekking tot haag en afrastering
Partijen, buren, hadden een bodemprocedure gevoerd en op 6 februari 2006 een regeling getroffen over het vervangen van een haag. Gedaagde zou een taxushaag plaatsen ter hoogte van de huidige hoge beukenhaag, maar eiser stelt dat gedaagde deze afspraak niet is nagekomen en in plaats daarvan nieuwe beukjes heeft geplaatst binnen de verboden afstand van 50 cm van de erfgrens, in strijd met artikel 5:42 BWPro. Tevens zou gedaagde een afrastering op het erf van eiser hebben geplaatst.
Eiser vorderde in kort geding dat gedaagde binnen een week de haag zou vervangen door een taxushaag, de beukjes binnen de verboden afstand zou verwijderen en de afrastering zou weghalen, met dwangsommen bij niet-naleving. Gedaagde voerde verweer en betwistte dat de beukjes binnen de verboden afstand zijn geplaatst en dat de afrastering op het erf van eiser staat.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser de plaatsing van de taxushaag niet meer kan afdwingen omdat gedaagde de keuze had tussen taxushaag en beukenhaag. De stelling dat de beukjes binnen de verboden afstand staan is onvoldoende aannemelijk gemaakt en nader onderzoek is nodig, wat niet in kort geding kan. Ook de afrastering op het erf van eiser is onvoldoende aannemelijk. Daarom worden de gevorderde voorzieningen geweigerd en wordt eiser in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt eiser in de proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Civiel
Datum uitspraak : 18 januari 2007
Zaaknummer : 115904 / KG ZA 06-492
De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort-gedingvonnis gewezen
inzake
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
procureur mr. B.E.H. Seegers;
tegen:
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
procureur mr. L.C.A.M. Bouts.
1. Het verloop van de procedure
Eiser, [Naam eiser], heeft gedaagde, [Naam gedaagde], gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 4 januari 2007, heeft [Eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding, waarna hij zijn vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten.
[Gedaagde] heeft verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.
Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.
Vervolgens is het geding voor enige tijd geschorst. Na de hervatting heeft [Eiser] om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.
2. Het geschil
2.1 Partijen, buren, hebben een bodemprocedure gevoerd voor de rechtbank Maastricht, in het kader waarvan zij op
6 februari 2006 een regeling van hun geschil hebben getroffen. Die regeling luidt, voor zover van belang, als volgt:
“[Gedaagde] zal uiterlijk 30 september 2006 de huidige haag van kleine beukjes vervangen door een taxushaag. Deze taxushaag zal geplaatst worden ter hoogte van de huidige hoge beukenhaag en aansluiten op deze haag. [Eiser] verklaart zich accoord met de locatie van de nieuw te plaatsen taxushaag. Partijen zijn het er over eens dat de hoge beukenhaag geplant is met inachtneming van de wettelijke afstand van 50 centimeter.”
2.2 Stellende dat [Gedaagde] de voormelde afspraak niet is nagekomen door in plaats van de bedoelde taxushaag nieuwe beukjes te plaatsen, welke bovendien, in strijd met artikel 5: 42 BW, binnen de verboden afstand van 50 cm van de erfgrens zijn gesitueerd, en [Gedaagde] daarnaast een afrastering op [eiser's erf] houdt, wat, naar de voorzieningenrechter verstaat, een ongeoorloofde inbreuk op diens eigendom betekent, heeft [Eiser] gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [Gedaagde] te veroordelen om binnen één week na betekening van het in deze te wijzen vonnis na te komen de in het proces-verbaal van de gerechtelijke plaatsopneming van 6 februari 2006 opgenomen overeenkomst, in dier voege dat [Gedaagde] de huidige haag van kleine beukjes vervangt door een taxushaag en deze taxushaag plaatst ter hoogte van de huidige hoge beukenhaag en aansluit op deze haag, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat [Gedaagde] hiermee in gebreke mocht blijven, met een maximum van € 5.000,-;
2. [Gedaagde] te veroordelen om binnen één week na betekening van het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot verwijdering van de aan de achterzijde van zijn woning, tegen de erfgrens geplante hagen met beukjes, welke zich aldaar in strijd met het bepaalde in artikel 5:42 BWPro bevinden, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat gedaagde hiermee in gebreke mocht blijven, met een maximum van € 5.000,-;
3. [Gedaagde] te veroordelen om binnen één week na betekening van het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot verwijdering van de door hem opgerichte afrastering aan de achterzijde van zijn woning en welke zich op het erf van eiser bevindt, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat [Gedaagde] hiermee in gebreke mocht blijven, met een maximum van € 5.000,-;
4. met veroordeling van [Gedaagde] in de kosten van de onderhavige procedure.
2.3 [Gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer wordt – voor zover van belang – hierna ingegaan.
3. De beoordeling
3.1 Het plaatsen van een taxushaag kan door [Eiser] niet meer rechtens afgedwongen worden nu zijn (voormalige) advocaat bij brief van 8 februari 2006 aan de advocaat van [Gedaagde], naar een redelijke uitleg van die brief meebrengt, [Gedaagde] juist de keuze heeft gelaten tussen het plaatsen van een taxushaag – in welk geval [Gedaagde] aansprakelijk wordt gehouden mochten [eisers' geiten] door het aanvreten van de haag schade ondervinden – en het plaatsen van een beukenhaag (“Wellicht is het zinvol voor uw cliënt om te bezien, of toch niet beter een beukenhaag kan worden geplaatst …”). De vordering onder 1 moet daarom reeds worden afgewezen.
3.2 De vordering onder 2 is geen beter lot beschoren. [Gedaagde] heeft immers bestreden de stelling van [Eiser] dat de betreffende beukjes binnen de verbonden afstand van 50 cm van de erfgrens zijn geplaatst, zodat dit thans niet aannemelijk is. Nader onderzoek naar feiten en omstandigheden zal hierover uitsluitsel moeten geven (waarbij gedacht kan worden aan een meting door het kadaster), waarvoor in kort geding echter geen plaats is.
3.3 Dito moet worden geoordeeld over de vordering onder 3. [Gedaagde] heeft bestreden dat de betreffende afrastering op het erf van [Eiser] staat en ook deze betreffende blote stelling van [Eiser] is derhalve bij de huidige stand van zaken niet aannemelijk. Ook op dit punt zal nader onderzoek moeten plaatsvinden, waarvoor het kort geding niet de aangewezen weg is.
3.4 Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [Eiser] verwezen in de kosten.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter:
weigert de gevraagde voorzieningen;
veroordeelt [Eiser] in de proceskosten tot aan dit vonnis gerezen en aan de zijde van [Gedaagde] begroot op € 248,- aan vast recht en € 816,- voor salaris procureur;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.