ECLI:NL:RBMAA:2007:BB0572
Rechtbank Maastricht
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en litispendentie bij voorlopige voorzieningen in ouderlijke verantwoordelijkheid
De rechtbank Maastricht behandelde een verzoek tot voorlopige voorzieningen betreffende een minderjarig kind van partijen die voorheen in België woonden. De man stelde dat de rechtbank onbevoegd was omdat het kind zijn hoofdverblijf in België heeft, terwijl de vrouw betoogde dat het kind in Nederland verblijft en de procedure in België een procedure in de zin van Brussel II-bis betreft.
De rechtbank oordeelde dat het niet zonder meer vaststaat dat de Belgische rechter zijn bevoegdheid ontleent aan artikel 20 van Pro Brussel II-bis, omdat partijen voor hun scheiding in België woonden en de Belgische rechter mogelijk bevoegd is voor de bodemprocedure. Dit betekent dat de Belgische rechter beslissingen neemt die niet louter voorlopige maatregelen zijn, maar definitieve beslissingen binnen zijn bevoegdheid.
Aangezien in België een procedure eerder was gestart, verwees de rechtbank de verzoeken omtrent toevertrouwing en omgang naar de Belgische rechter op grond van de litispendentieregeling in artikel 19 Brussel Pro II-bis. De rechtbank hield de beslissing over de alimentatieverzoeken aan voor maximaal drie maanden, in afwachting van duidelijkheid over de toevertrouwing en de vraag of alimentatie ook onderwerp is van de Belgische procedure.
De beschikking werd gegeven door rechter Bregonje en is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2007. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank verwijst de verzoeken over toevertrouwing en omgang naar de Belgische rechter en houdt de beslissing over alimentatie aan.