ECLI:NL:RBMAA:2007:BB2044

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
26 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
repnr. 2343/2007 zaaknr. 259657
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.P.G. Houterman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek bewindvoerder tot aankoop tweede verhuurd onroerend goed

De bewindvoerder van een 80-jarige rechthebbende, die verblijft in een verpleeghuis, verzocht om een aanzienlijk deel van het spaarsaldo (€35.000 van circa €43.000) te gebruiken voor de aankoop van een tweede onroerend goed dat verhuurd zou worden. De bewindvoerder stelde dat deze investering meer rendement zou opleveren dan de huidige spaarrekening en dat de huuropbrengst de hypotheekrente zou dekken, met aflossing uit het eigen vermogen.

De kantonrechter oordeelde dat het resterende saldo na deze investering onvoldoende is om te voorzien in verzorgingskosten, gelet op de landelijke richtlijn van €20.000 aan liquide middelen voor personen van 65 jaar en ouder. Daarnaast werd geoordeeld dat de aanschaf van een tweede verhuurd pand en het aangaan van een hypotheek niet in het belang is van de rechthebbende, die nagenoeg schuldenvrij is.

De kantonrechter merkte op dat de bewindvoerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de investering tot vermogensopbouw leidt, omdat onderhoudskosten, eigenaarlasten en verhuurverplichtingen niet zijn meegenomen. Ook het argument dat de hypotheek bij overlijden verhoogd kan worden om successierechten te betalen, werd verworpen als niet in het belang van de rechthebbende.

Het uitgangspunt dat het vermogen doelmatig en risicoloos moet worden beheerd, kan volgens de kantonrechter in dit geval beter worden gerealiseerd door het geld op een spaarrekening met een hoger rentepercentage te zetten. Daarom wees de kantonrechter het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot aankoop van een tweede verhuurd onroerend goed met spaargeld wordt afgewezen omdat dit niet in het belang is van de rechthebbende.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Kanton
Locatie Maastricht
repnr: 2343/2007
zaaknr: 259657
Beschikking van 26 juni 2007
Op het verzoek van:
[naam bewindvoerder], wonende te [woonplaats], [adres], verzoeker, handelend in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [naam rechthebbende], geboren op [geboortedatum], verblijvende te [woonplaats], [adres], rechthebbende.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE:
Verzoeker heeft een verzoekschrift met een bijlage ingediend hetwelk ter griffie van deze rechtbank is ontvangen op 20 juni 2007. Zowel de inhoud van het verzoekschrift als de bijlage geldt als hier ingelast.
BEOORDELING:
Tot het vermogen van de rechthebbende behoort een onroerend goed dat verhuurd wordt, een lopende rekening met een saldo van ongeveer € 509,53 en een spaarrekening met een saldo van ruim € 42.000,--. De spaarrekening levert per jaar een rentevergoeding op van 2,75% en, onder voorwaarden, een bonusrente van 0,25%.
De bewindvoerder, de zoon van de rechthebbende, is van oordeel dat het aanwenden van een aanzienlijk deel van het saldo van de spaarrekening (€ 35.000,--) voor de aanschaf van een tweede onroerend goed meer rendement zal opleveren dan het laten staan van dat saldo tegen het huidige rentepercentage. Hij voert daartoe aan dat de huuropbrengst van het tweede onroerend goed tot betaling van de hypothecaire rente zal strekken en de hypotheekaflossing uit het eigen vermogen voldaan zal worden. Na een periode van 5 of 10 jaar kan er uit het eigen vermogen van de rechthebbende respectievelijk € 30.000,-- of € 60.000,-- worden afgelost op de hypotheek.
De hele constructie levert naar het oordeel van de bewindvoerder een vermogensopbouw en belastingaftrekpost voor de rechthebbende op. Verder kan de bewindvoerder, indien de rechthebbende komt te overlijden, de hypotheek op het tweede pand verhogen om zo de successierechten te kunnen betalen.
De kantonrechter merkt op dat voor de beoordeling van het onderhavige verzoek gekeken dient te worden naar het belang van de rechthebbende.
Landelijk geldt dat, vooraleer gelden van een rechthebbende van 65 jaar of ouder worden belegd of geschonken, een saldo aan liquide middelen van € 20.000,-- ter voorziening van verzorgingskosten dient te worden gereserveerd. Gelet op het voornemen van de bewindvoerder om van de voorhanden zijnde liquide middelen ad € 43.000,-- een bedrag ad € 35.000,-- af te halen, resteert er slechts nog € 8.500,-- aan liquide middelen hetgeen, gelet op het vorenvermelde te weinig is.
Met inachtneming van het belang van de rechthebbende is de kantonrechter van oordeel dat dit, gelet op diens leeftijd van 80 jaar en diens verblijf in een verpleeghuis, niet is gebaat bij de aanschaf van een tweede onroerend goed waarvan het de bedoeling is dat het wordt verhuurd aan derden of aan de bewindvoerder. Het voor dat doel aangaan van een hypothecaire schuld is, gelet op het feit dat de rechthebbende nagenoeg schuldenvrij is, evenmin in zijn belang.
Wat de vermogensopbouw betreft, merkt de kantonrechter op dat de bewindvoerder deze onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt nu hij bij de aanschaf van een tweede onroerend goed geen rekening heeft gehouden met mogelijke onderhoudskosten, eigenaarlasten en de plichten van de rechthebbende als verhuurder. Het feit dat de bewindvoerder bij overlijden van de rechthebbende middels huurverhoging de successierechten kan voldoen strekt niet tot het belang van de rechthebbende doch enkel tot het belang van de bewindvoerder hetgeen niet relevant is.
Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat het uitgangspunt dat het vermogen van een rechthebbende zo doelmatig en zo risicoloos mogelijk dient te worden beheerd/belegd in het onderhavige geval al kan geschieden door het uitzetten van de liquide middelen op een spaarrekening met een hoger rentepercentage dan het huidige.
Met inachtneming van het vorenoverwogene wijst de kantonrechter het verzoek af.
BESLISSING:
De kantonrechter
Wijst het verzoek af.
Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2007 door mr. R.P.G. Houterman, kantonrechter, in tegenwoordigheid van Y.A.M. Tilmans, griffier.