ECLI:NL:RBMAA:2007:BB9071
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering tot betaling kredietbedrag na opheffing huwelijksgemeenschap
Direktbank heeft gedaagde sub 1 en sub 2 gedagvaard wegens niet-nakoming van betalingsverplichtingen voortvloeiend uit een kredietovereenkomst van 7 februari 2002. Gedaagde sub 1 heeft verstek laten gaan, terwijl gedaagde sub 2 verweer voerde tegen de aansprakelijkheid op grond van het huwelijksvermogensregime.
De rechtbank stelt vast dat de huwelijksgemeenschap tussen de echtgenoten is opgeheven bij beschikking van 18 december 2002, welke beschikking conform artikel 1:112 BW Pro is gepubliceerd en ingeschreven in het huwelijksgoederenregister. Hierdoor heeft deze beschikking derdenwerking, waardoor Direktbank zich hierop kan beroepen.
Gedaagde sub 2 heeft het verzoek tot opheffing ingediend vanwege verkwistend gedrag van gedaagde sub 1 en heeft daarmee impliciet erkend dat zij aansprakelijk kan zijn. De rechtbank oordeelt dat gedaagde sub 2 op grond van artikel 1:102 BW Pro aansprakelijk is voor de helft van het openstaande kredietsaldo per datum van de beschikking.
De vordering van Direktbank wordt toegewezen, waarbij gedaagde sub 1 wordt veroordeeld tot betaling van € 38.032,90 met rente en gedaagde sub 2 tot betaling van € 13.553,67 met wettelijke rente. Tevens worden beide gedaagden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Beide gedaagden worden veroordeeld tot betaling van het openstaande kredietbedrag met rente en proceskosten.