ECLI:NL:RBMAA:2007:BC1652

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
24 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 04 / 1134, 04 / 1916, 06 / 1337, 07 / 70 en 07 / 262 WWB
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.J.M. Bruijnzeels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om vergoeding van proceskosten en schadevergoeding in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Maastricht op 24 december 2007 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure met betrekking tot de Wet werk en bijstand (WWB). De verzoeker, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, heeft op 19 april 2007 de beroepen ingetrokken met een verzoek om compensatie van kosten. De rechtbank heeft echter de intrekking aanvankelijk verkeerd geïnterpreteerd, waardoor verzoeker werd gewezen op de mogelijkheid om het betaalde griffierecht terug te vragen. De rechtbank heeft de verzoeken om vergoeding van proceskosten en schadevergoeding beoordeeld aan de hand van de artikelen 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank overweegt dat, hoewel verzoeker tegemoet is gekomen door een ontheffing van de arbeidsverplichtingen te ontvangen, er geen termen zijn om verweerder te veroordelen in de kosten. Dit is gebaseerd op de vaststellingsovereenkomst die partijen hebben gesloten, waarin is bepaald dat elke partij zijn eigen proceskosten draagt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gemaakte kosten, inclusief de betaalde griffierechten, onder de eigen proceskosten vallen zoals overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst.

De rechtbank heeft de verzoeken van verzoeker om vergoeding van proceskosten en schadevergoeding afgewezen, met de overweging dat partijen hebben afgesproken geen aanspraken meer jegens elkaar te hebben. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken, waarbij de rechtbank zich bevoegd achtte om te oordelen over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. De beslissing is openbaar uitgesproken door de rechter in aanwezigheid van de griffier.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Bestuursrecht
Procedurenummers: AWB 04 / 1134 WWB
AWB 04 / 1916 WWB
AWB 06 / 1337 WWB
AWB 07 / 70 WWB
AWB 07 / 262 WWB
Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken op het verzoek om toepassing van artikelen 8:73a en 8:75a Algemene wet bestuursrecht (Awb)
inzake
[A],
wonende te Maastricht, verzoeker,
tegen
het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht (Domein Sociale en Culturele Zaken, onderdeel Sociale Zaken),
gevestigd te Maastricht, verweerder.
Datum bestreden besluiten:
22 juni 2004, 30 september 2004, 21 april 2006, 30 november 2006,15 januari 2007
Kenmerk: verschillende kenmerken
Geen behandeling ter zitting
1. Overwegingen
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten heeft verweerder door c.q. namens verzoeker ingediende bezwaarschrift tegen een door verweerder genomen besluiten ingevolge de Wet werk en bijstand niet-ontvankelijk en in een geval tevens ongegrond verklaard. Tegen eerstgenoemde besluiten is namens verzoeker beroep ingesteld door mr. M.P.M. Hogervorst, advocaat te Maastricht.
Partijen in maart 2007 zijn overeengekomen het in alle beroepen onderliggende geschil door middel van mediation te trachten op te lossen. Op 18 april 2007 hebben partijen een vast¬stellingsovereenkomst gesloten.
Bij brief van 19 april 2007 heeft gemachtigde van verzoeker de beroepen ingetrokken onder verzoek tot compensatie van kosten.
De griffie van de rechtbank heeft per abuis de intrekking in eerste instantie beschouwd als een intrekking zonder verzoek om proceskosten en heeft verzoeker gewezen op de moge¬lijkheid het betaalde griffierecht aan verweerder terug te vragen.
Bij brief van 19 juni 2007 heeft de gemachtigde evenwel de rechtbank een overzicht doen toekomen van betaalde griffierechten. Als bijlage is onder meer de vaststellingsovereen¬komst toegezonden.
Het verzoek is door de rechtbank aldus volledigheidshalve opgevat als een verzoek tot toepassing van de artikelen 8:73a en 8:75a Awb, nu om compensatie van de kosten is verzocht en zich in verschillende procedures een proceskostenformulier c.q. een kopie van de definitieve toevoeging bevindt.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:73a lid 2 Awb heeft de rechtbank voorts ver¬weerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft onder verwijzing naar de vaststellingsovereenkomst zich op het standpunt gesteld dat voor een veroordeling in de proceskosten geen plaatst meer is, omdat partijen overeen zijn gekomen de eigen kosten te dragen.
Ingevolge artikel 8:75a Awb kan het bestuursorgaan in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb in de kosten worden veroordeeld. De rechtbank dient daarbij het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht in acht te nemen.
Hoewel de in artikel 8:75a Awb bedoelde situatie zich hier in beginsel voordoet, omdat aan verzoeker tegemoet is gekomen nu hem een ontheffing van de arbeidsverplichtingen, als bedoeld in artikel 9 WWB, is gegeven, acht de rechtbank evenwel geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de kosten, die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank overweegt daartoe dat in de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk is bepaald dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt van de beroepsprocedures bij de rechtbank.
Ingevolge artikel 8:73a Awb kan het bestuursorgaan in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 Awb tot een schadevergoeding worden veroordeeld.
Ofschoon artikel 8:41 lid 4 Awb bepaalt dat bij intrekking van het beroep het bestuursorgaan het betaalde griffierecht vergoedt, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval onder “de eigen proceskosten”, als bedoeld in artikel 2 lid 1 Vaststellingsovereenkomst, mede dient te worden verstaan de betaalde griffierechten. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesterkt door het bepaalde in artikel 1 lid 3 Vaststellingsovereenkomst. Partijen zijn immers overeengekomen dat zij jegens elkaar geen enkele aanspraak meer hebben.
De rechtbank acht zich bevoegd tot dit oordeel nu enerzijds verzoeker zich uitdrukkelijk tot de rechtbank heeft gericht ter zake van compensatie van de griffierechten en anderzijds op grond van artikel 1 lid 2 juncto artikel 2 lid 6 Vaststellingsovereenkomst de rechtbank zich bevoegd acht te oordelen over de uitleg van de begrippen “geen enkel aanspraak meer hebben jegens elkaar” en ”de eigen proceskosten”.
Over dit oordeel is in redelijkheid geen twijfel mogelijk.
Op grond van de artikelen 8:54, 8:73a, 8:75 en 8:75a van de Awb wordt als volgt beslist.
2. Beslissing
De rechtbank Maastricht:
1. wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af;
2. wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Aldus gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels in tegenwoordigheid van mr. E.J.H.G. van Binnebeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2007 door mr. Bruijnzeels voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
verzonden op: 24 december 2007