ECLI:NL:RBMAA:2008:BC8203
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepasselijkheid arbitragebeding bij conflicterende algemene voorwaarden in aannemingsovereenkomst
In deze zaak staat centraal welke algemene voorwaarden van toepassing zijn op een aannemingsovereenkomst tussen een Belgische aannemer en een Nederlandse opdrachtgever, waarbij beide partijen verschillende rechtskeuzes in hun voorwaarden hebben opgenomen. Eiseres, gevestigd in België, beroept zich op haar Belgische algemene verkoopsvoorwaarden, terwijl gedaagde Nederlandse Uniforme Administratieve Voorwaarden (UAV) hanteert met een arbitragebeding.
De rechtbank stelt vast dat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden moet worden beoordeeld aan de hand van het toepasselijke recht op de overeenkomst. Gezien het kenmerkende presteren door de aannemer, wordt het recht van de vestigingsplaats van de aannemer, het Belgische recht, als toepasselijk geacht. De rechtbank geeft partijen de gelegenheid om zich nader uit te laten over het toepasselijke recht en relevante Belgische bepalingen.
Indien Nederlands recht van toepassing zou zijn, oordeelt de rechtbank dat op grond van artikel 6:225 lid 3 BW Pro de voorwaarden van eiseres van toepassing blijven omdat de voorwaarden van gedaagde niet uitdrukkelijk zijn van de hand gewezen. Dit betekent dat het arbitragebeding in de UAV van gedaagde niet geldt, waardoor de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van eiseres.
De rechtbank houdt de verdere beslissing in zowel het incident als de hoofdzaak aan en geeft partijen de gelegenheid om zich schriftelijk uit te laten over het toepasselijke recht en de relevante bepalingen van het Belgische recht.
Uitkomst: De rechtbank houdt verdere beslissing aan en nodigt partijen uit zich uit te laten over het toepasselijke recht en relevante Belgische bepalingen.