ECLI:NL:RBMAA:2008:BD9059

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
31 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
311/08
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Wet BopzArt. 1 Ministeriële regeling tarieven in burgerlijke zakenArt. 1 lid 3 Wet tarieven in burgerlijke zakenArt. 2 Wet tarieven in burgerlijke zakenArt. 282 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 28 Wet Bopz niet-ontvankelijk wegens niet-betaling vast recht

Betrokkene heeft via zijn raadsman een verzoek ingediend tot toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 28 van Pro de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). Dit verzoek werd ingediend ter gelegenheid van een verhoor in het kader van een procedure tot machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling.

De rechtbank heeft betrokkene en zijn raadsman erop gewezen dat voor de behandeling van dit verzoek een vast recht verschuldigd is. De raadsman betoogde dat geen vast recht verschuldigd zou zijn omdat het verzoek een zelfstandig verzoek zou zijn dat is ingediend ter gelegenheid van het verhoor, waarvoor geen vast recht geldt.

De rechtbank oordeelde echter dat het indienen van een verzoekschrift, ook als het ter gelegenheid van een verhoor wordt ingediend, het verschuldigd zijn van vast recht meebrengt. Dit volgt uit een juiste lezing van de Ministeriële regeling tarieven in burgerlijke zaken en de Wet tarieven in burgerlijke zaken.

Verder stelde de rechtbank dat het niet betalen van het vast recht niet leidt tot belemmering van de toegang tot de rechter, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die betrokkene niet had gesteld of bewezen. Omdat het verschuldigde vast recht niet was voldaan, kon het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank heeft daarom het verzoek tot schadevergoeding afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het vast recht.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Bestuursrecht
Datum uitspraak : 31 juli 2008
Zaaknummer : 311/08
De enkelvoudige kamer, voor de toepassing van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven
inzake
[naam verzoeker],
verblijvende in [verblijfplaats] te Maastricht,
verzoeker,
tegen:
de burgemeester van de gemeente Maastricht,
verweerder.
1. Het procesverloop
Bij verzoekschrift, ter gelegenheid van het op 18 juni 2008 gehouden verhoor, heeft mr. A.J.M. van Mil, advocaat te Maastricht, de rechtbank verzocht aan betrokkene op de voet van het bepaalde in artikel 28 van Pro de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) een schadevergoeding toe te kennen.
De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 21 juli 2008, waarbij aanwezig waren F. Coorens, bewindvoerder over de goederen van betrokkene alsmede mr. P.M. Hermans, ambtenaar, werkzaam bij de gemeente Maastricht.
De rechtbank heeft nadien de datum van de uitspraak bepaald op heden.
2. Beoordeling
De rechtbank heeft mr. Van Mil, advocaat van betrokkene, alsook de burgemeester en de bewindvoerder over de goederen van betrokkene, bij brieven van 4 juli 2008 uitgenodigd om op 21 juli 2008 om 09.30 uur in het gerechtsbouw te Maastricht te verschijnen teneinde alsdan en aldaar op het verzoek te worden gehoord. Tevens heeft de rechtbank mr. Van Mil erop gewezen dat voor de behandeling van het verzoek een vast recht is verschuldigd en dat, indien er geen rekeningcourantverhouding met de rechtbank zou bestaan, het vast recht moet worden voldaan uitsluitend door gebruikmaking van de toegezonden acceptgiro.
Bij brief van 4 juli 2008 heeft mr. Van Mil de rechtbank medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen en voorts, onder verwijzing naar de gang van zaken tijdens het op 18 juni 2008 gehouden verhoor, dat hij van mening is dat in dezen geen vast recht is verschuldigd. De raadsman van betrokkene heeft daartoe betoogd, dat het hier gaat om een zelfstandig verzoek dat is ingediend ter gelegenheid van het verhoor in een procedure die wordt ingeleid met een verzoekschrift waarvoor evenmin vast recht is verschuldigd. Daaruit volgt volgens de raadsman dat ook voor het indienen van het zelfstandige verzoek om vergoeding van schade op voet van artikel 28 van Pro de Wet Bopz geen vast recht is verschuldigd.
Het betoog moet worden verworpen. Anders dan van de zijde van betrokkene is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval wel degelijk vast recht is verschuldigd. Een juiste lezing van het bepaalde in artikel 1 van Pro de Ministeriële regeling tarieven in burgerlijke zaken van 24 december 1993 (Stcrt. 17 januari 1994, 11) in samenhang en onderling verband met artikel 1, derde lid, alsmede artikel 2 van Pro de Wet Tarieven in burgerlijke zaken van 8 december 1960 (Stb. 1960, 541) kan tot geen andere conclusie voeren dan dat voor de indiening van een verzoekschrift bij de rechtbank een vast recht wordt geheven van, in zaken als deze, € 254,-. De wet biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wijze van indiening van het verzoek bepalend is voor de verschuldigdheid van vast recht. Dat het verzoek om een schadevergoeding toe te kennen in dit geval is ingediend bij verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene, en dat in dat geval artikel 282, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing is, staat daarom naar het oordeel van de rechtbank niet aan de verschuldigdheid van vast recht in de weg.
De rechtbank voegt hieraan toe dat de enkele omstandigheid dat een vast recht wordt geheven nog niet ertoe leidt dat de toegang tot de rechter wezenlijk wordt belemmerd terwijl die conclusie evenmin kan worden gedragen door 'sec' de hoogte van het daartoe in deze zaak verschuldigde vast recht. Daarmee is niet gezegd dat de verschuldigdheid van vast recht nooit het wezen van het recht op toegang tot de rechter kan belemmeren, maar daarvoor is wel noodzakelijk dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Het ligt echter op de weg van betrokkene dergelijke uitzonderlijke omstandigheden te stellen én, zonodig, te bewijzen. Daarin echter is betrokkene in dit geval te kort geschoten.
De rechtbank heeft op 21 juli 2008 vastgesteld dat het verschuldigde vast recht niet was bijgeschreven op de rekening van de rechtbank. Dat het verschuldigde vast recht op andere wijze is voldaan is even¬min gebleken. Een en ander betekent dat betrokkene in zijn verzoek niet kan worden ontvangen.
Gelet op de artikel 28 van Pro de Wet Bopz wordt derhalve als volgt beslist.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, en in het openbaar uitgesproken
op 31 juli 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.