ECLI:NL:RBMAA:2008:BG2218
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Minister niet bevoegd tot handhavend optreden tegen luchtvaartmaatschappij bij vermeende overtreding EG-verordening 261/2004
Eiser verzocht de minister van Verkeer en Waterstaat om handhavend op te treden tegen luchtvaartmaatschappij ArkeFly wegens vermeende overtredingen van Verordening (EG) nr. 261/2004, met name inzake een vlucht die fors vertraagd was. De minister besloot niet handhavend op te treden omdat geen sprake was van stelselmatige of flagrante schendingen van de verordening door ArkeFly. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op dat bezwaar. Uiteindelijk handhaafde de minister het besluit.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is geworden omdat het besluit alsnog was genomen. Inhoudelijk overwoog de rechtbank dat de vlucht niet was geannuleerd maar vertraagd, en dat ArkeFly geen compensatie verschuldigd was op grond van de verordening. Ook was geen sprake van schending van de informatieplicht uit artikel 14 van Pro de verordening, aangezien ArkeFly haar bedrijfsproces had verbeterd en controles geen overtredingen meer hadden aangetoond.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht niet bevoegd was om handhavend op te treden omdat geen overtreding bestond die handhaving rechtvaardigde. Het beroep werd ongegrond verklaard. De uitspraak benadrukt dat bestuursdwang alleen kan worden ingezet bij daadwerkelijke en voortgaande overtredingen, en dat individuele klachten niet automatisch leiden tot handhaving.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 29 januari 2008 wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk.