ECLI:NL:RBMAA:2009:BI2501

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
22 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09 / 463
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Y. Klik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:82 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen uitblijven beslissing uitkeringsaanvraag afgewezen wegens ontbreken materiële connexiteit

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag om een bijstandsuitkering en vervolgens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Verweerder heeft daarna alsnog een inhoudelijke beslissing op de aanvraag genomen. Hierdoor ontbreekt het inhoudelijke verband (materiële connexiteit) tussen het verzoek om voorlopige voorziening en het bestreden besluit, wat een vereiste is voor ontvankelijkheid.

De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van overeenkomstige toepassing is in de voorlopige voorzieningsprocedure en ziet geen aanleiding voor analoge toepassing. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van materiële connexiteit.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker, omdat niet tijdig op het bezwaar is beslist en verzoeker daardoor genoodzaakt was een voorlopige voorziening in te dienen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van materiële connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Bestuursrecht
Voorzieningenrechter
Procedurenummer: AWB 09 / 463
Uitspraak
in het geding tussen
[verzoeker],
wonend te Maastricht, verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,
verweerder.
1. Procesverloop
Verzoeker heeft op 25 maart 2009 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 26 november 2008 om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand.
Verzoeker heeft vervolgens bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 26 maart 2009 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend. Als gemachtigde heeft zich J.J. Patelski, advocaat te Maastricht, gesteld. Verzocht is om verweerder te veroordelen tot het verstrekken van voorschotten, nu verzoeker in financiële nood verkeert.
Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker bij besluit van 27 maart 2009 afgewezen.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.
2. Overwegingen
In artikel 8:81 van Pro de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen indien hij kennelijk onbevoegd is, of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Na kennis te hebben genomen van de stukken, acht de voorzieningenrechter in dit geval termen aanwezig om met toepassing van deze bepaling uitspraak te doen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende.
Gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan een voorziening uitsluitend worden verkregen hangende een bodemprocedure, in casu is dat de bezwaarschriftenprocedure waarin bezwaar is gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing.
Ingevolge artikel 6:20, eerste lid, van de Awb, voor zover thans van belang, blijft het bestuursorgaan verplicht een besluit op de aanvraag te nemen, indien het bezwaar is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling, en voor zover thans van belang, geldt het in het eerste lid bepaalde niet gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is.
Gelet op deze bepalingen is het bestuursorgaan nog wel bevoegd, maar niet meer verplicht een primaire beslissing op de aanvraag te nemen indien tegen het niet nemen van een besluit een bezwaarschrift is ingediend.
In het onderhavige geval is door verweerder op 27 maart 2009 een inhoudelijke beslissing op de aanvraag genomen. Tegen dit besluit van 27 maart 2009 is (nog) geen (afzonderlijk) bezwaar gemaakt.
Een verzoek om een voorlopige voorziening behoort de grenzen van het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb vervatte vereiste van connexiteit niet te buiten te gaan. Nu nog niet is beslist op het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag, is in formele zin aan het connexiteitsvereiste voldaan.
Naar vaste bestuursrechtelijke rechtspraak vereist artikel 8:81, eerste lid, van de Awb echter ook een inhoudelijk verband tussen het verzoek om een voorlopige voorziening en het bestreden besluit. Ook in materiële zin dient derhalve te worden voldaan aan het connexiteitsvereiste. Anders gezegd: de gevraagde voorlopige voorziening moet betrekking hebben op het daaraan connexe - in de hoofdzaak - bestreden besluit.
Het in de hoofdzaak bestreden besluit betreft de weigering om te beslissen. De mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen de weigering te beslissen is blijkens de ter zake relevante jurisprudentie een louter procedureel middel om de vertraagde besluitvorming op gang te helpen. Nu geen sprake meer is van een weigering te beslissen, stelt de voorzieningenrechter vast dat reeds daarom de materiële connexiteit ontbreekt.
Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, is in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb (evenals de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb) niet van overeenkomstige toepassing verklaard in de voorlopige voorzieningsprocedure. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor analoge toepassing van dit artikellid in de (onderhavige) voorzieningenprocedure en overweegt in dit verband als volgt.
De strekking van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb is mede om te voorkomen dat de reële beslissing door het niet aanwenden van rechtsmiddelen daartegen hangende het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen en in de daardoor ontstane onduidelijkheid, rechtskracht zou verkrijgen. In het onderhavige geval kan na de beslissing op de aanvraag en de daaronder aangegeven rechtsmiddelen geen sprake zijn van onduidelijkheid.
Het afwachten en daarna meenemen van de nog aan te voeren inhoudelijke gronden druist naar het oordeel van de voorzieningenrechter bovendien in tegen het karakter van de voorzieningenprocedure, dat in hoofdzaak wordt bepaald door de noodzaak tot snelle behandeling. Het feit dat in de jurisprudentie ten aanzien van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb veelvuldig analoge toepassing plaatsvindt doet hier niet aan af, nu het in die gevallen immers (doorgaans) wijzigingen in reeds afgeronde besluitvorming zal betreffen.
De voorzieningenrechter neemt in dit verband tevens in aanmerking dat verweerder ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb gehouden is het bezwaarschrift van verzoeker mede tegen het hangende de voorziening afgekomen reële besluit gericht te achten en dat verzoeker in dat verband in de gelegenheid dient te worden gesteld (inhoudelijke) gronden in te dienen. Voor verzoeker staan in het kader van deze procedure wederom rechtsmiddelen open.
Het verzoek zal dan ook, gelet op het ontbreken van de connexiteit (ten tijde van het doen van de uitspraak), niet-ontvankelijk worden verklaard.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van de bevoegdheid ex artikel 8:82, vierde lid, van de Awb gebruik te maken en te bepalen dat verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoedt, nu niet tijdig op het bezwaarschrift van verzoeker is beslist.
De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om verweerder met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van de voorlopige voorziening redelijkerwijs gemaakte kosten, nu verweerder niet binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn een beslissing op de aanvraag van verzoeker heeft genomen en verzoeker zich dientengevolge genoodzaakt zag om een voorlopige voorziening in te dienen, en bepaalt deze kosten op € 80,50.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter:
-verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;
-bepaalt dat aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,-- wordt vergoed door de gemeente Maastricht;
-veroordeelt verweerder in de kosten van de voorzieningenprocedure tot een bedrag van € 80,50, te vergoeden door de gemeente Maastricht aan de griffier van de rechtbank.
Aldus gedaan door Y.J. Klik in tegenwoordigheid van C.M. Bunschoten
als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2009
w.g. C.M. Bunschoten w.g. Y. Klik
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
Verzonden: 22 april 2009
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.