ECLI:NL:RBMAA:2009:BI3654

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
29 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
290879 CV EXPL 08-3207
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen bij middelloonregeling

In deze zaak vordert eiser de vaststelling van zijn ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen. De discussie betreft de juiste berekeningswijze, waarbij eiser uitgaat van een eindloonregeling terwijl het pensioenfonds een middelloonregeling hanteert.

Na een tussenvonnis en een comparitie heeft de kantonrechter geoordeeld dat de door eiser overgelegde berekening niet correct is omdat deze uitgaat van een eindloonregeling. Het pensioenfonds heeft een berekening overgelegd die volgens de rechter juist is, waarbij ook de APS-aanspraak is meegenomen.

De rechtbank stelt het jaarlijks ouderdomspensioen vast op €21.064,56 met ingang van 1 november 2006, inclusief wettelijke rente en indexatie. Het nabestaandenpensioen wordt vastgesteld op 70% van dit bedrag. De overige vorderingen van eiser worden afgewezen. Daarnaast wordt het pensioenfonds deels veroordeeld in de proceskosten, met compensatie van de overige kosten.

Uitkomst: Het jaarlijks ouderdomspensioen wordt vastgesteld op €21.064,56 met ingang van 1 november 2006, met wettelijke rente en indexatie.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Kanton
Locatie Heerlen
Rolno/zaakno: 290879 CV EXPL 08-3207
typ: AH
Vonnis van de kantonrechter van 29 april 2009
inzake
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. S.G. Volbeda;
tegen
de stichting STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE SCHOEN-, LEDER EN LEDERWARENINDUSTRIE,
gevestigd en kantoorhoudend te Heerlen,
gedaagde,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarders J.L.G. Jeukens en mr. R.H.A. Buttolo.
1. Verder procesverloop
Na het tussenvonnis van 3 december 2008 waarbij de kantonrechter volhardt, heeft het Pensioenfonds een akte genomen en [eiser] een antwoordakte. Hierna is een comparitie bepaald die is gehouden op 27 maart 2009. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt dat is gevoegd bij de stukken. Ten slotte is vonnis bepaald waarvan de uitspraak is vastgesteld op heden.
2. Verdere beoordeling
2.1 Reeds in voornoemd tussenvonnis gaf de kantonrechter aan dat de over en weer gehanteerde cijfers tot veel verwarring hebben geleid. Ook ter zitting bleven partijen het oneens over de cijfers. Niettemin is duidelijk geworden dat de door [eiser] overgelegde berekening, waarbij is gesteld dat het niet uitmaakt of uitgegaan wordt van een middelloon- of eindloonregeling, niet kan kloppen. Immers, daarbij neemt [eiser] voor het opgebouwde pensioen bij het beambtenfonds steeds hetzelfde (eind)salaris als uitgangspunt. Dit is echter kenmerkend voor een eindloonregeling. De kantonrechter merkt daarbij nog op dat voor zover [eiser] bij de pensioenvrije deelneming ten gevolge van zijn volledige arbeidsongeschiktheid reeds het maximale salaris genoot, het inderdaad niet uitmaakt of het loon c.q. de pensioengrondslag is gefixeerd, nu partijen het met elkaar eens zijn dat de pensioengrondslag jaarlijks is geïndexeerd. Verder is naar het oordeel van de kantonrechter ter zitting duidelijk geworden dat alleen de zogenoemde APS-aanspraak is gebaseerd op een vaste bedragen regeling die zoals uit de bij akte overgelegde productie blijkt reeds is meegenomen in de berekening van het verworven ouderdomspensioen. Dat de APS-pensioenrechten niet zouden zijn meegenomen zoals zijdens [eiser] gesteld, is derhalve onjuist. De bij akte overgelegde berekening door het Pensioenfonds zal nu deze verder onvoldoende wordt weersproken dan ook voor juist worden gehouden. Hoewel het Pensioenfonds stelt dat op basis van de bij akte overgelegde berekeningen het pensioen van [eiser] wat lager zou uitvallen, is ter comparitie toegezegd dat bij de uitbetaling uit wordt gegaan van de berekening zoals verwoord bij conclusie van dupliek. Dit betekent dat het jaarlijks ouderdomspensioen een bedrag is van € 21.064,56 met ingang van 1 november 2006, de ingangsdatum van het pensioen. In zoverre zal de eis worden toegewezen. Hieraan gekoppeld is de vaststelling van het nabestaandenpensioen dat 70% bedraagt van het voornoemde ouderdomspensioen. Gelet op hetgeen reeds in voornoemd tussenvonnis is overwogen en gelet op het vorenstaande zal de vordering voor het overige worden afgewezen.
2.2 Naast de reeds aangegeven veroordeling in de proceskosten ten aanzien van het exploot van dagvaarding en het vast recht, ziet de kantonrechter reden om het Pensioenfonds te veroordelen in het salaris; te beperken tot één punt van het toepasselijke liquidatietarief. Voor het overige zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
3. De beslissing
De kantonrechter:
Stelt het jaarlijks ouderdomspensioen vast op € 21.064,56 met terugwerkende kracht tot 1 november 2006, te vermeerderen met de wettelijke rente over het verschil ten opzichte van het uitgekeerde pensioen en te vermeerderen met de indexatie vanaf voornoemde datum.
Veroordeelt het Pensioenfonds ten dele in de proceskosten gerezen aan de zijde van
[eiser] en tot op heden begroot op: € 98,53 kosten exploot, € 201,- vast recht en € 100,- voor salaris gemachtigde.
Compenseert de proceskosten voor het overige.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Henzen, kantonrechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.