ECLI:NL:RBMAA:2009:BJ5240
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Moeder niet ontvankelijk in verzoek tot beëindiging uithuisplaatsing minderjarige
De moeder van een minderjarige die sinds 9 april 1998 onder toezicht staat en in een pleeggezin verblijft, verzocht de rechtbank om de uithuisplaatsing van haar dochter te beëindigen. De uithuisplaatsing was gebaseerd op een machtiging van de kinderrechter van 8 januari 2009, verlengd op 9 april 2009. De moeder stelde dat de pleegzorg niet in het belang van het kind was en dat bureau jeugdzorg onjuiste informatie had verstrekt. Ze vroeg tevens om deskundig onderzoek en begeleiding.
Bureau jeugdzorg en de vader van het kind verzetten zich tegen het verzoek. Zij stelden dat het pleeggezin geschikt is en dat het belang van het kind voorop staat. De moeder had volgens hen onvoldoende onderbouwd waarom de plaatsing ongeschikt zou zijn.
De rechtbank beoordeelde dat het verzoek van de moeder slechts gericht was tegen de beschikking van 8 januari 2009 en dat zij niet had gesteld dat zich sindsdien een wijziging van omstandigheden had voorgedaan. Hierdoor voldeed zij niet aan haar stelplicht en was zij niet ontvankelijk in haar verzoek. De moeder werd verwezen naar de mogelijkheid van beroep tegen de verlengingsbeschikking van 9 april 2009.
De beschikking werd op 22 juli 2009 door kinderrechter A.C.A. Schreinemakers uitgesproken. De moeder kan tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De moeder is niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing van haar minderjarige dochter.