ECLI:NL:RBMAA:2010:BL7658
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A. Piëtte
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering op grond van onjuiste toepassing beslagrechtelijke bepalingen
De eisende partij, een coöperatieve Rabobank, vorderde betaling van een bedrag op grond van een beslag gelegd op een vennootschap onder firma en haar vennoten. De eis berustte op niet-nakoming van een verklaring ex artikel 477a lid 1 of lid 4 Rv door de derde-beslagene.
De rechtbank oordeelde dat de stellingen van de eisende partij innerlijk tegenstrijdig en onduidelijk waren. Enerzijds werd gesteld dat een verklaring was afgelegd, anderzijds dat de verplichting niet was nagekomen, terwijl de vordering op artikel 477a lid 4 Rv was gebaseerd die juist uitgaat van het niet nakomen van een reeds afgelegde verklaring. De eisende partij had haar vordering op artikel 477a lid 1 Rv moeten baseren indien sprake was van niet-afgelegde verklaring.
De rechtbank stelde vast dat de juistheid van de verklaring niet was betwist conform artikel 477a lid 2 Rv en dat het gevorderde daarom niet kon worden toegewezen. De vordering werd afgewezen en de eisende partij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de eisende partij wordt afgewezen wegens onvoldoende en tegenstrijdige onderbouwing.