ECLI:NL:RBMAA:2010:BN8028

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
17 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10 / 1292 en AWB 10 / 1293
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • P.J.M. Bruijnzeels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 AwbArt. 42, eerste lid, onder a, WIJArt. 12, eerste lid, onder a, WIJ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inkomensvoorziening wegens weigering werkleeraanbod Wet investeren in jongeren

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht om hem geen werkleeraanbod en daarmee geen inkomensvoorziening toe te kennen op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Verzoeker volgde een dure opleiding tot verkeersvlieger en stelde dat het aangeboden werkleeraanbod geen maatwerk was en zijn opleiding zou moeten worden erkend als passend aanbod.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college binnen haar beleidsvrijheid een werkleeraanbod mag bepalen dat aansluit bij algemeen geaccepteerde arbeid en dat verzoeker, met een afgeronde HTS-opleiding en directe inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, het aanbod terecht heeft geweigerd. De financiële gevolgen van zijn studie zijn voor eigen risico.

Omdat verzoeker het werkleeraanbod heeft geweigerd, is de weigering van de inkomensvoorziening terecht. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Bestuursrecht
Voorzieningenrechter
Procedurenummer: AWB 10 / 1292 en AWB 10 / 1293
Uitspraak
in de gedingen tussen
[verzoeker],
wonend te Maastricht, verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,
verweerder.
Datum bestreden besluit: 22 juli 2010
Kenmerk: WIJ 570307
1. Procesverloop
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit en bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 6 september 2010. Namens verzoeker is ter zitting verschenen M.G.C. Lamers-Geelen; verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Overhof, werkzaam bij de gemeente Maastricht.
2. Overwegingen
In artikel 8:81 van Pro de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze be¬voegdheid van de voorzieningenrechter zijn partijen gewezen in de kennisgeving van de behandeling van het verzoek ter zitting.
Na kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de voorzienin¬genrechter van oordeel, dat nader onderzoek aan de beoordeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden, die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De voorzieningenrechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak en overweegt daartoe het volgende.
Verzoeker heeft zich tot verweerder gewend met een aanvraag om in aanmerking te komen voor een werkleeraanbod ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ).
Bij besluit van 9 april 2010 heeft verweerder verzoeker meegedeeld geen werkleeraanbod te doen, omdat verzoeker weigert mee te werken aan het opstellen van een plan met betrekking tot verzoekers arbeidsinschakeling. Reden hiervoor is dat verzoeker tijdens een onderhoud heeft geweigerd aan het aangeboden werkleeraanbod, bestaande uit dertig dagen ondersteuning arbeidsinschakeling door een jongerenadviseur van het UWV werkbedrijf, mee te werken. Hierdoor heeft verzoeker tevens geen recht op een inkomensvoorziening.
Verweerder heeft het hiertegen gerichte bezwaar bij besluit van 22 juli 2010 ongegrond verklaard.
In beroep heeft verzoeker aangevoerd dat hij het door verweerder aangeboden werkleeraanbod niet zo zeer weigert, maar het niet kan aanvaarden vanwege de gevolgen. Hij is in 2009 gestart met de opleiding verkeersvlieger waarvoor hij een krediet van
€ 140.000,- heeft afgesloten. Het accepteren van het door verweerder gedane werkleeraanbod
(3 vacatures en een sollicitatietraining van een dagdeel per week) betekent dat hij moet stoppen met zijn opleiding én dat hij met een enorme schuld blijft zitten. Verzoeker heeft als vooropleiding HTS werktuigbouwkunde. Verzoeker acht het geven van ondersteuning naar duurzame arbeidsparticipatie, in combinatie met het leveren van maatwerk, reden zijn opleiding als verkeersvlieger als een passend werkleeraanbod te beschouwen.
Verzoeker heeft ter zitting aangevoerd dat geen sprake is van maatwerk en dat geen ondersteuning naar een duurzame arbeidsparticipatie plaatsvindt.
Ter beoordeling door de voorzieningenrechter ligt de vraag voor of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd aan verzoeker een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ te verstrekken. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
Op grond van het bepaalde in artikel 42, eerste lid, onder a, van de WIJ bestaat geen recht op de inkomensvoorziening indien de jongere het werkleeraanbod heeft geweigerd.
Artikel 12, eerste lid, onder a, van de WIJ bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt met betrekking tot de inhoud van een werkleeraanbod. Hiertoe heeft de gemeenteraad van Maastricht op 22 september 2009 de “Verordening werkleeraanbod WIJ gemeente Maastricht” (de Verordening) vastgesteld.
Ingevolge artikel 1, onder b, van de Verordening is algemeen geaccepteerde arbeid alle arbeid, niet zijnde arbeid in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, die algemeen maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen de openbare orde of goede zeden.
Ingevolge artikel 2, eerste en tweede lid, van de Verordening biedt het college jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod, algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan of een combinatie hiervan. Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling dan wel één of meerdere voorzieningen.
Ingevolge het vierde artikel van de Verordening biedt het college jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod en naar het oordeel van het college direct inzetbaar op de arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid of ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan.
Ingevolge artikel 12 van Pro de Verordening beslist het college in alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet. Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
De toelichting bij deze Verordening vermeldt:
“Het college bepaalt de inhoud van het werkleeraanbod. Dat geldt ook voor de vraag of het accent komt te liggen op werken of leren. Gelet op de duurzame arbeidsparticipatie als einddoel, zal werken de hoogste prioriteit hebben als de jongere daartoe in staat is. Zijn er echter belemmeringen op de weg daar naartoe, dan kunnen allerlei voorzieningen worden ingezet om dat einddoel te bereiken. Van belang daarbij is dat de startkwalificatie binnen het werkleeraanbod een ijkpunt vormt, omdat deze in belangrijke mate kan bijdragen aan duurzame arbeidsparticipatie. Het is aan de gemeenten overgelaten om te beoordelen in hoeveree de jongere in staat moet worden gesteld een dergelijke kwalificatie te behalen of anderszins scholing te ontvangen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert”.
De toelichting vermeldt voorts onder het kopje “maatwerk”:
“Uitgangspunt is dat maatwerk wordt geleverd: dat het werkleeraanbod wordt afgestemd op de omstandigheden, krachten en capaciteiten van de jongere (artikel 18, eerste lid WIJ). De wensen van jongeren worden betrokken bij het vormgeven van het werkleeraanbod ( artikel 14, eerste lid WIJ). Het college is verplicht die wensen vast te leggen in de rapportage die ten grondslag ligt aan het werkleeraanbod en dient daarbij tevens aan te geven op welke wijze die wensen bij het werkleeraanbod zijn betrokken”.
Voor zover door verzoeker is betoogd dat het aangeboden werkleeraanbod geen maatwerk oplevert overweegt de voorzieningenrechter dat de gemeenteraad in genoemde Verordening regels heeft gesteld met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel a van de WIJ genoemde bevoegdheid. Hierbij zoekt het college aansluiting bij de term algemeen geaccepteerde arbeid, iemands startkwalificatie en eventuele belemmeringen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat dit beleid in zijn algemeenheid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.
In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college, in afwijking van zijn beleid, de door verzoeker verzochte inkomensvoorziening had moeten toekennen. Hierbij heeft de voorzieningenrechter mede betrokken dat verweerder uiteen heeft gezet dat verzoeker beschikt over een afgeronde beroepsopleiding HTS werktuigbouwkunde, direct inzetbaar is op de arbeidsmarkt en slechts sedert een korte tijd vruchteloos sollicitaties heeft verricht. In zo’n geval staat het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid voorop. Ook onderschrijft de voorzieningenrechter verweerders standpunt dat het aangaan van een lening en de financiële consequenties hiervan voor verzoeker voor rekening en risico van verzoeker komen en niet kunnen worden afgewenteld op de gemeente. Aan de beleidsvrijheid van de gemeenten is tot slot inherent dat gemeenten keuzes en beoordelingen maken die in vergelijkbare gevallen tot een ander resultaat kunnen leiden, hetgeen echter in het onderhavige geval niet onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Niet (meer) in geding is dat verzoeker het door verweerder aangeboden werkleeraanbod heeft geweigerd.
Hieruit vloeit voort dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 42, eerste lid, onderdeel a, van de WIJ de inkomensvoorziening terecht en op goede gronden heeft geweigerd.
Het beroep van verzoeker is ongegrond.
Aangezien onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan en het bestreden besluit daardoor niet langer onderwerp vormt van een door de rechtbank te beslissen geschil, is het belang aan het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening komen te ontvallen.
Het daartoe strekkende verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Aldus gedaan door P.J.M. Bruijnzeels in tegenwoordigheid van C. Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2010.
w.g. C. Schrammen w.g. P.J.M. Bruijnzeels
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
Verzonden:
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.
Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.