4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert zijn oordeel op de aangifte van [B.] namens Ikea te Heerlen, op het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [S.] en op de verklaring van getuige [naam vriendin verdachte]. [naam vriendin verdachte] heeft immers verklaard dat verdachte haar heeft verteld dat hij de plannen voor de overval had gemaakt. Vervolgens heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte aanvankelijk heeft verklaard dat hij op het tijdstip, waarop de tenlastegelegde feiten hebben plaatsgevonden, niet in Heerlen is geweest, terwijl hij later tegen verbalisant [S.] heeft verklaard dat hij zich op bedoeld tijdstip wel degelijk bevond in de nabijheid van Ikea. Hij heeft aldus leugenachtig verklaard teneinde de ware toedracht van de feiten te bemantelen, welke leugenachtige verklaring eveneens als bewijsmiddel kan worden gebruikt.
Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat de broer van verdachte, [naam broer verdachte], verdachte zowel vlak voor als vlak na de overval heeft gesproken en dat deze broer, samen met een derde verdachte, door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch ter zake van onderhavige zaak is veroordeeld. In samenhang met de andere door hem genoemde bewijsmiddelen is dit een belangrijke aanwijzing dat ook verdachte medepleger is in deze zaak.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat er slechts één verklaring in het dossier is, waaruit zou kunnen volgen dat er een verband bestaat tussen verdachte en de overval op Ikea. Het gaat om de verklaring van verdachtes vriendin [naam vriendin verdachte] d.d. 28 juli 2003, die luidt dat verdachte haar zou hebben medegedeeld dat hij de plannen voor de overval zou hebben gemaakt. Verdachte ontkent dit tegen [naam vriendin verdachte] te hebben gezegd.
Voorts bevat het dossier geen aanknopingspunten ten aanzien van het medeplegen van de overval door nauwe of bewuste samenwerking. Het contact dat verdachte voor en na de overval met zijn broer heeft gehad is niet opvallend, nu het niet vreemd is dat broers met elkaar spreken. Genoemd contact impliceert echter niet dat verdachte met zijn broer heeft samengewerkt bij het plegen van de betreffende overval.
Verder bevat het dossier geen bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij de uitvoering van de overval. Hij is hierbij immers niet aanwezig geweest, hetgeen blijkt zowel uit zijn eigen verklaring als uit de verklaring van [naam vriendin verdachte]. Ten slotte is niet gebleken dat verdachte na de overval enige handeling heeft verricht die wijst op betrokkenheid bij de overval, nu de daders al gevlucht waren toen verdachte en [naam vriendin verdachte] de Intratuin te Heerlen uitliepen.
Daarnaast kan niet aan verdachte verweten worden dat hij niet heeft ingegrepen voordat het delict door anderen werd uitgevoerd, nu hij niet kon weten dat de overval toen zou gaan plaatsvinden.
Ten aanzien van het gebruik voor het bewijs van de - volgens de officier van justitie - leugenachtige verklaring van verdachte merkt de raadsman op dat deze slechts als bewijs kan worden gebezigd als er ander belastend bewijs is, waarvoor verdachte geen goede verklaring kan geven. Dit bewijs is er volgens de raadsman niet.
Gezien bovenstaande verzoekt de raadsman om verdachte vrij te spreken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Over de gebeurtenissen op 17 oktober 2002 is op basis van het dossier het volgende relevant.