ECLI:NL:RBMAA:2010:BO6444
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voogdij wegens gezagsvacuüm na niet-erkende kafala in Nederland
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Maastricht om voorlopige voogdij toe te kennen over een tweejarig Marokkaans kind dat zonder geldige beginseltoestemming naar Nederland was gebracht door een Marokkaans echtpaar met een kafala-voogdijbeslissing uit Marokko. De rechtbank oordeelde dat de kafala niet van rechtswege wordt erkend in Nederland zolang het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 niet is geratificeerd door Nederland. Hierdoor ontstaat een gezagsvacuüm.
De rechtbank stelde vast dat het kind goed wordt verzorgd door het echtpaar en dat het in het belang van het kind is om bij hen te blijven wonen. Er is geen sprake van een noodsituatie die onmiddellijke voogdijverlening vereist. Artikel 10 WOBKA Pro is volgens de rechtbank niet bedoeld voor situaties waarin het kind niet hoeft te worden overgeplaatst en er geen noodsituatie is. Ook het subsidiaire verzoek op grond van artikel 1:241 BW Pro werd afgewezen.
De rechtbank besloot geen voorlopige voogd aan te wijzen omdat er een verzoek tot erkenning van de kafala-beslissing bij de rechtbank is ingediend en onnodige gezagswisselingen niet in het belang van het kind zijn. Indien zich een noodsituatie voordoet, kan de raad opnieuw een verzoek doen. Het verzoek van de raad werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voogdij wordt afgewezen omdat het kind goed wordt verzorgd en er geen noodsituatie is.