ECLI:NL:RBMAA:2011:BT2359
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van bodemverontreiniging door kortdurende mestopslag
De economische politierechter behandelde de zaak tegen verdachte die ervan werd verdacht mest op een onbeschermde bodem te hebben opgeslagen in Landgraaf gedurende vijf dagen, waardoor bodemverontreiniging zou zijn veroorzaakt. De officier van justitie vorderde een geldboete van 800 euro, stellende dat verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat opslag langer dan vijf dagen bodemverontreiniging veroorzaakt.
Verdachte voerde vrijspraak aan op grond van het Besluit landbouw milieubeheer, dat geen voorschriften bevat voor kortdurende opslag van maximaal twee weken, en stelde dat zijn handelingen niet strafbaar waren onder de Wet bodembescherming. De rechter overwoog dat uit jurisprudentie van het Hof te ’s-Hertogenbosch blijkt dat alleen opslag gedurende langere perioden (minimaal vier weken) leidt tot overtreding van artikel 13 Wet Pro bodembescherming.
De rechter concludeerde dat de opslag van vijf dagen niet als een langere periode kan worden beschouwd en dat verdachte onder droge weersomstandigheden terecht mocht aannemen dat geen bodemverontreiniging zou optreden. Daarom was het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en werd verdachte vrijgesproken.
De uitspraak benadrukt het belang van een belangenafweging tussen efficiënte bedrijfsvoering van agrariërs en bodemverontreiniging, waarbij de duur van opslag en weersomstandigheden een cruciale rol spelen. Verdachte had bovendien maatregelen genomen om bodemverontreiniging te voorkomen en de mest uiteindelijk ondergewerkt nadat materiaalpech was verholpen.
Uitkomst: Verdachte werd vrijgesproken omdat opslag van mest gedurende vijf dagen niet als langere periode wordt beschouwd en geen overtreding van artikel 13 Wet bodembescherming oplevert.