ECLI:NL:RBMAA:2011:BT6363

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
1 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03/700505-09
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 66 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van belaging ondanks gedragingen met overlast

De rechtbank Maastricht behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van belaging van vier personen in de periode van maart tot augustus 2009. De officier van justitie vorderde vervolging, maar werd niet-ontvankelijk verklaard voor twee slachtoffers wegens het ontbreken van een tijdige klacht.

De gedragingen betroffen onder meer het parkeren van de auto richting de woningen van slachtoffers, het hard zetten van de autoradio, toeteren, rijden met hoog toerental en het schijnen van koplampen in woningen. Verdachte ontkende opzettelijk te hebben gehandeld met het oogmerk om te intimideren en gaf aan dat sommige gedragingen onbedoeld waren.

De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte met zijn gedragingen het oogmerk had om de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers te schenden of hen te dwingen of vrees aan te jagen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde feit. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen werden afgewezen wegens het ontbreken van een opgelegde straf of maatregel.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van belaging en vervolging voor twee slachtoffers wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Strafrecht
Parketnummer: 03/700505-09
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juli 2011
in de strafzaak tegen
[naam verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens verdachte] ,
wonende te [adresgegevens verdachte] .
Raadsman is mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 augustus 2010 en 17 juni 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 1 maart 2009 tot en met 18 augustus 2009 schuldig heeft gemaakt aan belaging van [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] , [naam benadeelde partij 3] en [naam benadeelde partij 4] .
3. Voorvragen
De officier van justitie heeft zich, daarbij verwijzend naar de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 juni 2010 (LJN: BM7598) en de uitspraak van de Hoge Raad van 13 september 2005 (LJN AT7555), op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is terzake belaging ten aanzien van aangever [naam benadeelde partij 2] , nu uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2010 en het proces-verbaal van verhoor aangever van 12 januari 2011 blijkt dat [naam benadeelde partij 2] uitdrukkelijk wenst dat verdachte vervolgd wordt.
Anders dan in de door de officier van justitie genoemde jurisprudentie is er in het onderhavige geval geen aangifte gedaan door [naam benadeelde partij 2] tegen verdachte. Evenmin is [naam benadeelde partij 2] over de aan verdachte tenlastegelegde belaging gehoord door politie of justitie. In het dossier bevinden zich slechts de aangiften/klachten van [naam benadeelde partij 1] (de moeder van [naam benadeelde partij 2] ) en [naam benadeelde partij 3] (de moeder van [naam benadeelde partij 4] ).
Ingevolge artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht vindt vervolging van belaging niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan. Ingevolge artikel 66 van Pro het Wetboek van Strafrecht dient een klacht te worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Nu [naam benadeelde partij 2] geen aangifte/klacht heeft gedaan en het proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2010 en het proces-verbaal van verhoor van [naam benadeelde partij 2] van 12 januari 2011, waarin [naam benadeelde partij 2] aangeeft zich aan te sluiten bij de aangifte/klacht van zijn moeder, de drie maanden-termijn van artikel 66 van Pro het Wetboek van Strafrecht ruimschoots overschrijdt, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging voor zover de belaging betrekking heeft op [naam benadeelde partij 2] .
De in de tenlastelegging genoemde [naam benadeelde partij 4] heeft naar het oordeel van de rechtbank evenmin een aangifte of klacht gedaan. [naam benadeelde partij 4] is twee maal als getuige gehoord en heeft bij één van die verhoren verklaard: “deze verklaring mag ook gebruikt worden voor de klacht/aangifte die is gedaan tegen [naam verdachte] met betrekking op het stalkingsverhaal.” Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam benadeelde partij 4] hiermee geen aangifte/klacht gedaan van belaging van zichzelf en is de officier van justitie eveneens niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover de belaging betrekking heeft op [naam benadeelde partij 4] .
4. De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
Gelet op de aangiftes, de verklaringen van getuigen en de videobeelden heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit grotendeels wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie acht het vierde gedachtestreepje van de tenlastelegging daarentegen niet bewezen omdat er onvoldoende bewijs is ten aanzien van deze gedraging. Verder heeft de officier van justitie verzocht de tenlastegelegde periode in te korten tot 1 mei 2009 (in plaats van 1 maart 2009) tot en met 18 augustus 2009 nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij sinds 8 mei 2009 verkering had met zijn vriendin, [naam vriendin van verdachte] en [naam benadeelde partij 2] , [naam benadeelde partij 4] en [naam benadeelde partij 1] verklaren dat de belaging begon op het moment dat [naam vriendin verdachte] en verdachte verkering kregen.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen niet bewezen kunnen worden. Als de gedragingen al bewezen kunnen worden, dan levert dat volgens de raadsman geen ‘belaging’ op in de zin van artikel 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het aan verdachte tenlastegelegde feit.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Uit de verklaringen van [naam benadeelde partij 1] en de diverse brieven van buurtgenoten volgt:
- dat verdachte zijn auto regelmatig heeft geparkeerd in de richting van de woning van [naam benadeelde partij 1] , waarbij de voorkant uitstak,
- dat verdachte regelmatig zijn autoradio hard had aanstaan wanneer hij door de [K-straat] , de straat waar [naam benadeelde partij 1] woont, reed of daar geparkeerd stond,
- dat verdachte bij het wegrijden uit de straat van [naam benadeelde partij 1] regelmatig toeterde,
- dat verdachte dan wegreed met een hoog toerental,
- dat verdachte bij het wegrijden met zijn koplampen de huizen binnenscheen.
Uit de verklaringen van [naam benadeelde partij 3] en [naam benadeelde partij 4] volgt dat verdachte ook over de [K-straat] met hoog toerental reed. In deze straat woont [naam benadeelde partij 3] . Volgens [naam benadeelde partij 3] en [naam benadeelde partij 4] toeterde verdachte daarbij regelmatig.
Verdachte heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat hij vaak in de [K-straat] komt, om zijn vriendin te bezoeken, die daar bij haar moeder woont. Wat betreft het toeteren heeft verdachte verklaard dat hij toeterde naar zijn schoonmoeder. Ten aanzien van het hard zetten van de autoradio heeft verdachte verklaard dat hij daar niemand mee heeft willen lastig vallen. Voorts heeft verdachte verklaard dat als men de parkeerplaats op de [K-straat] wenst te verlaten, de weg een bocht naar links maakt. Bij het maken van die bocht schijnen de lampen de woningen aan de overzijde van de straat in. Bovendien heeft verdachte verklaard dat zijn auto zogenaamde xeonverlichting heeft, hetgeen over het algemeen als fel licht wordt ervaren en dat de uitlaat onder zijn auto meer geluid maakt dan normaal. Verdachte heeft ontkend dat hij met hoge snelheid door de [K-straat] is gereden. Verdachte heeft ten slotte nog ter terechtzitting verklaard dat hij mevrouw [naam benadeelde partij 3] niet kent en niet weet waar zij woont (evenmin weet hij waar [naam benadeelde partij 4] woont) en dat hij bij zijn weten nooit in hun straat heeft gereden.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het hierboven beschreven samenstel van gedragingen al dan niet ‘belaging’ oplevert als bedoeld in artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Om te kunnen spreken van belaging moeten de gedragingen inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en degene die die gedragingen heeft gepleegd moet dat hebben gedaan met het oogmerk het slachtoffer te dwingen, iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel het slachtoffer vrees aan te jagen. Daarbij is van belang de aard, de duur en de frequentie van de gedragingen.
De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte met zijn gedragingen het opzet had inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van [naam benadeelde partij 1] en [naam benadeelde partij 3] en evenmin dat hij het oogmerk had [naam benadeelde partij 1] en [naam benadeelde partij 3] te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte zal dus worden vrijgesproken.
5 Beslag
De officier van justitie heeft verzocht de in beslag genomen stukken terug te geven aan de Regiopolitie Limburg-Zuid, Basiseenheid Heuvelland, ten behoeve van het archief.
De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen stukken, te weten 7 brieven en 1 CD-rom, dienen te worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren.
6 Benadeelde partijen
De benadeelde partijen, [naam benadeelde partij 1] en [naam benadeelde partij 2] , hebben een schadevergoeding gevorderd van
€ 1.750,- respectievelijk € 2.100,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts hebben zij verzocht een schademaatregel ter zake het ten laste gelegde feit op te leggen.
De officier van justitie acht een bedrag van € 750,- vermeerderd met de wettelijke rente voor beide benadeelde partijen op zijn plaats en heeft daarbij verzocht een schademaatregel op te leggen. De raadsman heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen.
De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding, aangezien aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.
7 De beslissing
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.
De rechtbank heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
De rechtbank verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat die vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.
Dit vonnis is aldus gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. J.S. Holthuis en mr. W.H.B. Dreissen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Broekhof, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 1 juli 2011.
Buiten staat
Mr. W.H.B. Dreissen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 18 augustus 2009 te Bocholtz, in de gemeente Simpelveld, in elk geval in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een of meer perso(o)n(en) genaamd [naam benadeelde partij 1] en/of [naam benadeelde partij 2] en/of [naam benadeelde partij 3] en/of [naam benadeelde partij 4] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [naam benadeelde partij 1] en/of [naam benadeelde partij 2] en/of [naam benadeelde partij 3] en/of [naam benadeelde partij 4] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- (een) SMS-bericht(en) gestuurd aan die [naam benadeelde partij 2] en/of [naam benadeelde partij 4] waarin hij,
verdachte aangaf dat hij wist waar die [naam benadeelde partij 2] en/of [naam benadeelde partij 4] woonde(n) en/of
dat hij, verdachte, die [naam benadeelde partij 2] en/of [naam benadeelde partij 4] wel zou krijgen en/of iets zou
aandoen en/of
- zijn, verdachtes, auto (met de voorzijde van de auto) in de richting van de
woning(en) van die [naam benadeelde partij 1] en/of die [naam benadeelde partij 3] geparkeerd en/of (vervolgens)
de autoradio hard gezet en/of getoeterd en/of met groot licht in de
woonkamer van de woning van die [naam benadeelde partij 1] en/of [naam benadeelde partij 3] geschenen en/of
- met hoge snelheid en/of met hoog toerental door de [K-straat]
en/of de [K-straat] en/of langs de woning(en) van die [naam benadeelde partij 1] en/of die
[naam benadeelde partij 3] gereden en/of
- met zijn, verdachtes, auto op die [naam benadeelde partij 2] en/of [naam benadeelde partij 4] ingereden en/of
- met zijn, verdachtes, auto zeer dicht en/of met hoge snelheid achter de auto
van die [naam benadeelde partij 2] en/of [naam benadeelde partij 4] gereden en/of
- met zijn, verdachtes, auto hinderlijk voor de auto van die [naam benadeelde partij 2] en/of
[naam benadeelde partij 4] gereden en/of (telkens) plotseling geremd;.
RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Strafrecht
Parketnummer: 03/700505-09
Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 1 juli 2011 in de zaak tegen:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens verdachte] ,
wonende te [adresgegevens verdachte] .
Tegenwoordig:
mr. , rechter,
mr. , officier van justitie,
dhr./mevr. , griffier.
De rechter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.
De rechter spreekt het vonnis uit.
Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.
Raadsman mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.