ECLI:NL:RBMAA:2011:BU2166
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige zonder indicatiebesluit
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 7 oktober 2011 om een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met een lichte verstandelijke beperking. De minderjarige verblijft in een voorziening voor verstandelijk gehandicapte jeugdigen. Tijdens de mondelinge behandeling op 20 oktober 2011 werden de zorgen over de situatie van de minderjarige toegelicht, die verder gaan dan normaal pubergedrag.
De kinderrechter oordeelde dat de voorlopige ondertoezichtstelling dringend en onverwijld noodzakelijk is en handhaafde deze voor een periode van drie maanden. Echter, voor de machtiging tot uithuisplaatsing werd vastgesteld dat een indicatiebesluit vereist is volgens de Wet op de jeugdzorg en de AWBZ. De stichting die verantwoordelijk is voor het vaststellen van de indicatie had dit besluit niet genomen, terwijl zij dit volgens de wet wel moet doen.
Hoewel de raad en de stichting het standpunt verdedigden dat het CIZ bevoegd zou zijn, oordeelde de rechter dat de stichting als bevoegd bestuursorgaan geldt. Het ontbreken van het indicatiebesluit betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet kan worden gehandhaafd voor de periode na de uitspraak. De beschikking tot uithuisplaatsing werd daarom niet verlengd en het verzoek voor zover meer of anders verzocht werd afgewezen.
De uitspraak benadrukt het belang van een juiste bevoegdheidsverdeling en het naleven van formele vereisten bij het verlenen van machtigingen tot uithuisplaatsing, ook in situaties waarin praktische bezwaren bestaan.
Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling wordt gehandhaafd, maar de machtiging tot uithuisplaatsing wordt niet gehandhaafd vanwege het ontbreken van een indicatiebesluit.